|
GAMMA:
Forum
over onze rol in de evolutie Ons
blad verschijnt elke twee maanden. Het tijdschrift staat open voor
iedereen die mee wil denken en schrijven over de toekomst van onze wereld.
Teilhard de Chardin (1881-1955) gaf daartoe met zijn evolutietheorie een
ruime aanzet Het
Genootschap tot Convergentie
van Wetenschap en Religie (GCWR): Het
GCWR omvat een groep mensen, die ook een geldelijke bijdrage willen geven
aan het streven van de Stichting Teilhard de Chardin. Zij staan sympathiek
tegenover Teilhards werk, maar brengen in het verlengde ervan ook andere
ideeën in. Een
jaarabonnement op GAMMA Abonnementen
gaan in op 1 januari en worden zonder opzegging vóór 31 dec.
stilzwijgend verlengd. U
betaalt voor een hele jaargang van 6 nummers: € 16,- ; losse nummers
kosten €
2,70. Betalingen:
Voor
Nederland: op
rek.nr. 41 38 64 952 t.n.v. Stichting Teilhard de Chardin, Heiloo Voor
België: Op
rek. nr. 414-3342831-53 t.n.v. Stichting Teilhard de Chardin, Mortsel (België) |
Adres
bestuur Stichting en
eindredactie: Stichting
Teilhard de Chardin t.a.v.
Henk Hogeboom v.B. Op
de Wieken 5, 1852
BS Heiloo Tel.
072-5332690; e-mail:
sttdc@worldonline.nl internet: >http://www.teilharddechardin.nl< Kopij:
tot 3000 woorden per artikel, liefst per e-mail of op floppy insturen voor
de 15e van elke
oneven maand. De redactie behoudt
zich het recht voor artikelen in te korten of te weigeren. Redactie
GCWR: Ton
Borsboom Benedict
Broere Gerrit
Teule Hans
Vincent Bij
de voorplaat: Tekening
naar het ontwerp van Teilhard van de keerzijde van de medaille
Delamarre zoals deze is afgedrukt in Claude Cuénot 'Teilhard de Chardin'(Prismaboeken,
Het Spectrum 1967, p. 118) ISSN:
1570-0089 |
DE
EVOLUTIE VAN HET WERELDBEELD (III)
Hans
Vincent
'God'
is illusie: 4 argumenten
Bij
het lezen van de artikelen en discussies in GAMMA over God krijg ik soms het
gevoel, dat ik in een Middeleeuws theologisch gezelschap terecht ben geko-men.
Theïsme, pantheïsme, panentheïsme, chaostheologie en naturalistisch theïs-me
zijn de diverse opties, allemaal gebaseerd op de eerste zin van de Bijbel,
"In den beginne schiep God de hemel en de aarde" en wat daarop volgt.
Gelukkig
hebben sommige artikelen ook rekening gehouden met de ontdekkingen van Darwin,
waardoor de oude theologische dogmatiek enigszins gerelativeerd wordt. Maar ook
Darwin had God nog nodig, niet om de mens voort te brengen, wél om de eerste
oervormen van het leven te creëren, met name de eerste cel, waaruit volgens het
mechanisme van mutatie en selectie alle levensvormen zich hadden ontwikkeld.
Ondertussen vermoeden we dat die eerste cel verborgen in een meteoriet uit de
ruimte op de aarde is geland, zodat ook dat probleem is opgelost, zij het dat de
vraag zich voordoet, wie of wat de ruimtecel heeft geschapen.
Niet
alleen Darwin heeft de Bijbelse dogmatiek op losse schroeven gezet. Ook de
sociale wetenschappen hebben hun bijdrage geleverd, al zijn die veel minder
bekend. Ongeveer terzelfder tijd als Darwin kwamen de socioloog Emile Dürkheim
en de vader van het socialisme Karl Marx tot de overtuiging, dat God niet
bestaat. Dürkheim meende dat godsdienst en ook het godsbegrip nuttige functies
hebben om de sociale samenhang van gemeenschappen te bevorderen, maar meer ook
niet. Marx maakte duidelijk, dat alle ideeën - godsdienst, filosofie, wetten -
instrumenten van de heersende klassen zijn, die dienen om de andere
maatschappelijke groeperingen, vooral de arbeiders, onder de duim te houden:
"de heersende ideeën zijn de ideeën van de heersende klassen". De
bedoeling van de religie is volgens Marx voldoende duidelijk: wie arm is, maar
zich in dit leven netjes gedraagt, komt later in de hemel. Met andere woorden:
kom niet in opstand en doe wat je gezegd wordt! Deze analyse van de religie is
bij zijn volgelingen goed overgekomen, want zoals bekend zijn zowel de
communisten alsook de meeste - westerse
- socialisten atheïstisch.
Een
beetje later, begin 20e eeuw, heeft Sigmund Freud een ander, maar
niet strijdig, argument geleverd tegen de religie. In Das Unbehagen in der
Kultur heeft hij het over 'Die
Zukunft einer Illusion', dat wil zeggen: de religie. Het godsbegrip is niets
anders dan een projectie van de mens, die als klein kind heeft geleerd, dat de
vader oppermachtig en alwetend is en zonodig beloning en straf uitdeelt. Dit
beeld blijft bestaan en wordt geprojecteerd op een bovenzinnelijke
oppermachtige, alwetende 'Vader', die zijn kinderen wel liefheeft, maar ook
beloont en straft als zij zich niet aan de regels houden. Wie de structuur van
onze psyche kent, heeft geen God nodig.
In
de discusssie over God kunnen wij de argumenten van Darwin, Dürkheim, Marx en
Freud niet gewoon maar ter zijde schuiven. De biologische, sociologische en
psychologische verklaringen zijn dermate hard, dat wij er niet er niet omheen
kunnen. De wereld is sedert de Middeleeuwen niet stil blijven staan. De
wetenschap heeft veel theologische dogma’s achterhaald en daarom weten we nu
het een en ander over de materie, het heelal, de aarde, de natuur en ook over
onszelf. Maar als God een te verklaren begrip is en dus niet bestaat, krijgen we
wel met problemen te maken, althans voor degene die vragen stelt over herkomst,
doel en betekenis van al het bestaande, inclusief zijn/haar eigen bestaan. Deze
meer fundamentele vragen zijn niet opgelost en zullen dat met gebruik van de
wetenschappelijke methode ook nooit worden.
4
Redenen voor bescheidenheid
Daarom
moeten we tóch, graag of niet, naar de religie en de filosofie toe. Alvorens
daarin naar antwoorden te zoeken, zullen we de nodige bescheidenheid in acht
moeten nemen, restricties, die ons door de wetenschap worden aangereikt. Zij
betreffen de aard van de materie, de ruimte, de tijd en de natuur. Wij weten het
een en ander over de materie, maar we weten ook een heleboel dingen niet,
bijvoorbeeld wat zwaartekracht is. De astronomen en fysici zijn wel erachter
gekomen, dat wat wij waarnemen maar een klein deel is van alle in het heelal
aanwezige materie. De rest wordt 'donkere materie' en 'donkere energie' genoemd
ofwel een sea of energy, zoals de natuurkundige David Bohm het heeft uitgedrukt.
Die donkere energie zit overal, ook in de 'lege' ruimte. Wat zit in die donkere
energie? Waarschijnlijk maakt de zwaartekracht, die we maar niet kunnen vinden,
er deel van uit, maar - naar mijn mening -
misschien nog wel een heleboel andere dingen, zoals 'donkere
levensvormen', of 'verborgen hogere
energieën', in de werelden van (bij)geloof aangeduid met geesten, goden,
godinnen, engelen of ufonauten. Wie zal het zeggen? Waarnemen kunnen we ze niet,
maar zolang de mensheid bestaat, waren er steeds weer verhalen over onzichtbare
wezens. Leven die misschien in die donkere materie - of antimaterie? -, die wel
eens helemaal niet zo donker zou kunnen zijn?
De
materie kent dus vele geheimen, maar de ruimte, waarin die materie zich bevindt
is nog veel geheimzinniger. Onze aarde is deel van het zonnestelsel en de zon is
één van de circa 100 miljard sterren binnen ons sterrenstelsel, de melkweg. In
het heelal, voor zover men daarin kan doordringen zijn er tenminste wel een
miljard van die sterrenstelsels gevonden. Wat gebeurt er rondom die 100 triljoen
(18 nullen) sterren? Zijn daar planeten met al of niet ontwikkelde levensvormen?
Er wordt wel gezocht naar exo-planeten (buiten ons zonnestelsel) en er is er ook
een aantal gevonden, maar voor zover ik weet zijn er geen pogingen ondernomen om
statistisch uit te rekenen hoe groot de kans is dat er planeten met levensvormen
bestaan. Als wij aannemen, dat elke ster gemiddeld 2 planeten heeft en dat er
één op de 1000 daarvan levensvormen kent en daarvan weer één op de 1000
intelligent leven, dan betekent dat een totaal van 50 biljoen (12 nullen)
planeten met intelligent leven. Hoe zouden die levensvormen eruit zien? De
menselijke - aapachtige - vorm of geëvolueerde vliegen, spinnen, vogels,
kippen, dolfijnen of nog andere wezens? We weten er niets van.
Er
is nog een reden tot bescheidenheid en die heeft betrekking op de tijd.
Levensvormen bestaan op deze planeet ongeveer een half miljard jaar. Onze
biologische soort mens, de homo sapiens of Cro-Magnonmens bestaat naar schatting
100.000 jaar. Vanaf ca. 5000 jaar geleden zijn er mensen die in geciviliseerde
gemeenschappen leven met landbouw, veelteelt, steden, schrift, kleding, het
gebruik van het paard en van de os. Vanaf ca 200 jaar geleden beschikken we over
meer ontwikkelde technieken. Vrijwel de hele duur van het bestaan van leven op
deze aarde waren er slechts primitieve levensvormen, waarvan het nut of de
betekenis absoluut onduidelijk is. De geciviliseerde mensheid bestaat pas één
honderdduizendste deel van de geschiedenis van de levende soorten.
Wél
duidelijk is, dat de meest geëvolueerde vorm van het leven - wij moderne mensen
dus -, aan de ene kant beschikt over grote intelligente en creatieve vermogens,
maar moreel gezien het stadium van de diersoorten niet te boven is gekomen. In
de natuur komen we de fraaiste vormen en kleuren tegen - vlinders, maanvissen,
ijsvogels, tijgers, damherten -, maar we kennen ook vlooien, muggen,
bloedzuigers, slangen, haaien, monsters van de diepzee, hyena’s en andere
biologische soorten, die alleen kunnen bestaan door andere dieren uit te zuigen
en op te eten en daarnaast geen enkele andere waarde, zoals schoonheid,
vertegen-woordigen.
Helaas
geldt dat ook voor onze eigen soort en nog wel in versterkte mate. Enerzijds
zijn er de grote leiders en de genieën op de gebieden van religie, filosofie,
literatuur, beeldende kunst, muziek en wetenschap, maar we kennen maar al te
goed ook de monsterlijke exemplaren zoals Hitler, Stalin, Pol Pot, Karadzic,
Mladic, de vele kleinere oorlogshitsers en massamoordenaars en dan nog de grote
en kleine criminelen, die het menselijk leven op deze aarde bedreigen en
verpesten.
We
onderscheiden ons dus van de 'lagere' soorten door meer vermogen tot beheersing
van de omgeving, maar dat vermogen wordt zowel ten goede als ten kwade gebruikt.
Ondanks alle tradities van religie, filosofie en ethiek zijn we niet beter dan
de lagere biologische soorten.
'God':
dus toch?
Op
onze zoektocht past dus bescheidenheid. Het is niet prettig om dat te horen,
maar in de ruimte en in de tijd stellen we niets voor en moreel gezien staat de
mensheid nog in de kinderschoenen en dat zal voorlopig wel niet veranderen. Als
we toch verder zoeken naar antwoorden op fundamentele vragen, kunnen we in de
rijke tradities van religies en filosofieën, westers én oosters, oud én
nieuw, terecht. Dat is de wereld van de metafysica. Maar het is beter om eerst
vragen te stellen over de kenbare wereld, de fysica. Daarover is vanuit de
wetenschap het een en ander opgehelderd, maar ieder antwoord leidt weer tot
nieuwe vragen. Ik noem er een paar - alweer vier - deels over dezelfde
onderwerpen, die ons tot bescheidenheid dwingen.
In
de eerste plaats hebben we te maken met die onmetelijke ruimte, waarin onze
aarde een niets-komma-niets voorstelt. Niettemin weten we wel iets over de
materie, die wij kunnen waarnemen, wat overigens maar een klein gedeelte (ca.
0,5%) is van de werkelijke hoeveelheid materie én energie is. Die zichtbare
materie is namelijk duidelijk gestructureerd en wel volgens de wetten van de
natuurkunde en de chemie. Daarin speelt de wiskunde een doorslaggevende rol.
Bovendien doet zich een ander merkwaardig verschijnsel voor en dat wordt het
antropisch principe genoemd (al eerder in GAMMA beschreven). Dit principe
vertelt ons dat de kosmische constanten zodanig zijn samengesteld dat het
optreden van levensvormen mogelijk is. De materie heeft dus bij voorbaat een
zodanige structuur gekregen, dat zich ná de oerknal sterrenstelsels, sterren,
planeten konden vormen en dat er planeten voorkomen, die precies die
omstandigheden kennen, waardoor leven mogelijk is. Dat geldt voor onze aarde,
maar vermoedelijk voor zeer vele andere planeten. Het is duidelijk, dat het
bestaan van het heelal een bedoeling heeft.
Kijken
we naar de factor tijd, en dan wel beperkt tot ons zonnestelsel, dan zien we dat
er op onze aarde een proces van evolutie heeft plaatsgevonden. Of dit alleen
geldt voor de aarde is voor mij nog de vraag. De droge rivierbeddingen en de
berg in de vorm van een menselijk gezicht op Mars kunnen suggeren dat daar ook
iets is geweest. Maar het evolutieproces op onze planeet is onmiskenbaar en het
verschijnen van de mens géén toeval, zoals veel biologen zeggen. Wat mij
betreft is de voortdurend toenemende complexiteit met evolutionaire sprongen -
waaronder het optreden van de mens met een viermaal zo grote herseninhoud in
vergelijking met de dichtstbijzijnde soort, de chimpansee - alleen te verklaren
vanuit een bedoeld en gewild proces.
Nóg
een argument vóór de metafysica is het menselijke creatieve vermogen. Wij zijn
weliswaar een soort met een grote variëteit aan eigenschappen, goede én
slechte, maar niet ontkend kan worden, dat er exemplaren van onze soort zijn met
uitzonderlijk creatieve vermogens. Als ik bijvoorbeeld in tijdsvolgorde Boeddha,
Plato, Jezus, Copernicus, Kant, Bach, Mozart, Tolstoi, Marx, Einstein, Sartre,
noem, dan is het wel duidelijk wat ik bedoel (Teilhard mag er ook bij, maar
misschien is niet iedereen het eens met dit lijstje). Die creatieve vermogens
komen ergens vandaan en niet uit onze hersenen. Het wonderkind Mozart schreef de
muziek op, "die er al is"; Einstein kwam tot zijn theorieën door naar
buiten te staren (en daarbij zijn lesjes vergat). Er is dus blijkbaar een ander
- niet materieel - scheppend
universum, waarmee mensen met speciale eigenschappen in verbinding kunnen
treden.
Dan
is er nog het verschijnsel van de dood. Dit lijkt een zwak argument, want de
atheïst heeft meteen een antwoord: ideeën over een voortbestaan zijn nu
eenmaal in ons eigen belang. Maar als ik dat eigen belang even terzijde laat,
dan lijkt het mij wel heel merkwaardig, dat een bewust levend, willend,
bedoelend en soms ook scheppend wezen ineens verandert in een hoopje stof, omdat
er een adertje knapt. Waar is het menselijk bewustzijn gebleven? De atheïst zal
zeggen dat bewustzijn een gevolg is van de elektrische stroompjes die door onze
hersenen en ons lichaam lopen. Ik vraag mij af waar dan die elektrische energie
is gebleven na datgene wat wij de dood noemen. Energie verdwijnt niet zomaar.
Daarom heb ik een andere verklaring en wel dat ons bewustzijn niet het gevolg is
van die stroompjes, maar omgekeerd. Het bewustzijn is primair, de materiële
manifestaties zijn daarvan afgeleid.
Wetten,
blauwdrukken, principes, bewustzijn
Met
behulp van een ondogmatische, logische, kritische, empirische redenering kan ik
geen andere conclusie trekken dan dat het universum, het materiële zichtbare
heelal, ons zonnestelsel, de aarde, de mensheid, de andere mens en ikzelf het
resultaat zijn van een bedoeld en gewild proces. Gaan we verder met de vraag wie
of wat dan die bedoeling heeft of had, dan komen we terecht bij de op metafysica
gebaseerde religies en filosofieën, die we dan wel opnieuw - met de huidige
stand van de kennis - moeten interpreteren. De vraag of we daarbij over het
Mysterie, ofwel over God of welk ander begrip dan ook spreken, blijft uiteraard
een kwestie van persoonlijke voorkeur.
Van
belang is uiteraard wat voor eigenschappen dat
Mysterie, God, Brahman of TAO, die scheppende, bedoelende kracht van het
universum heeft. Ik denk dat we er slechts naar kunnen gissen, al zijn er wel
een paar aanwijzingen. Ook in dit opzicht past bescheidenheid.
In
de eerste plaats: God is wiskundige. De materie gehoorzaamt aan de wetten van de
wiskunde, al zijn dat wel verschillende soorten. We kennen zowel de 'gewone'
wiskunde van Newton, alsook die van Einstein, Planck e.a. met de relativiteits-
en kwantumwetten. Het zijn - voor zover ik dat begrijp - graduele verschillen.
Kij-ken we naar de meer complexe structuren, zoals die van de levende vormen,
dan blijken die ook aan wetten te voldoen, zoals de wetten van mutatie en
selectie. De vraag of die wetten alleen maar gelden voor de aanpassing van
soorten aan een veranderde omgeving of ook, zoals Darwin en de meeste moderne
biologen geloven, voor de evolutie door 'vele kleine stapjes'
naar meer complexe structuren, is m.i. niet beantwoord. Ik denk, zoals al
eerder uiteengezet, dat die evolutie verloopt volgens reeds bestaande
blauwdrukken. Het proces van evolutie heeft dan te maken met de opkomst van een
nieuwe soort overeenkomstig een bestaande metafysische blauwdruk - of
vormgevende kracht - , veelal na het optreden van een zware crisis. We kennen
natuurlijk de theorie over het uitsterven van dino’s en de gevolgen voor de
evolutie van de zoogdieren.
Wat
voor wetten en blauwdrukken zijn er van toepassing op de mens? We zitten hier in
een nog grijzer gebied dan bij de andere, lagere levende vormen. In de sociale
wetenschappen is wel gezocht naar die wetmatigheden, maar er is nog niet veel
gevonden. Alle theorieën hebben nog de status van hypothese. Niettemin meen ik
dat er wel zinnige hypotheses bestaan. Eén daarvan is, dat er net zoals bij de
diersoorten, aanpassing aan veranderde situaties mogelijk is. De ijstijd is een
bekend voorbeeld. De vele mythes over zondvloeden duiden op catastrofes, die
hebben geleid tot veranderde levenswijzen van onze voorvaderen. Dat die
catastrofes tot aanpasssing, maar ook tot evolutie - meer complexiteit - kunnen
leiden, leert ons de recente catastrofe, die is opgetreden in de periode van
1914- 1950. Door deze tijd van oorlogen, revoluties, massamoorden en crises - (ca.
140 miljoen mensen door geweld omgekomen - is de wereldsamenleving totaal
veranderd.
De
oude, 19e eeuwse sociale hiërarchieën van koningschap, adel,
patriciërs, met daaraan gekoppeld de arme, onderdrukte massa’s van horigen,
slaven, arbeiders, arme boeren, allemaal gefundeerd in de nationale staat,
gepaard gaande met een lage graad van technologie en een grote macht van de
kerken, gaan in snel tempo ten onder, terwijl de nieuwe patronen van samenleven
na 1950 tevoorschijn komen: technologie, democratie, mensenrechten, emancipatie,
welvaart voor de massa’s, globalisering. Dat is het begin van de manifestatie
van een nieuwe wereldorde, die is gebaseerd op reeds bestaande blauwdrukken, met
name de blauwdruk van het punt omega. Helaas weten we niet of zich dezelfde
wetten en dezelfde blauwdrukken manifesteren op die biljoenen andere planeten,
waar zich misschien intelligente levensvormen bevinden. Ik hoop dat daarover
spoedig meer informatie komt.
De
volgende eigenschap van die universele scheppingskracht is die van de ethische
principes, ofwel de 'geboden'. Die gelden voor de menselijke levensvorm. We
kennen de geboden uit het christendom: respect en naastenliefde. Ook de andere
religies hebben hun ethische voorschriften.
Dan
volgt nog de belangrijkste veronderstelling over de eigenschappen van die
universele kracht. Wat is de relatie met het menselijk bewustzijn? In het
christendom gaan we uit van God als schepper van de menselijke ziel. Het hindoeïsme
kent een soortgelijk standpunt: Atman (de ziel) is Brahman (God). In moderne
termen kunnen we zeggen: de individuele scheppingskracht is deel van de
universele scheppingskracht. Beide zijn onsterfelijk, maar het individuele
bewustzijn maakt wel een - metafysisch - ontwikkelingsproces door, dat ik al
eerder heb beschreven.
Conclusie
Wij
moeten dus bescheiden en vooral ook voorzichtig zijn met onze conclusies.
Duidelijk is wel dat het universum gestructureerd is en zo’n structuur
ontstaat niet vanzelf. Er is een scheppende, bedoelende kracht aanwezig. Ik denk
niet dat die kracht zich op persoonlijke basis met deze ene, minuscule planeet
bezighoudt. Dat die kracht op persoonlijke titel medeverantwoordelijk zou zijn
voor Auschwitz en de honderden andere kleinere en grotere manifestaties van
monsterachtige vernietigingsdrift, lijkt mij uiterst onwaarschijnlijk.
Zo
kom ik dus tot een wereldbeeld, gebaseerd op een integrale, synthetische,
convergente wijze van denken. Daarin geldt het primaat van de wetenschappelijke
kennis. Voor de vele vragen die daardoor niet beantwoord zijn en dat ook niet
kunnen worden, hebben we voorlopig niet meer dan veronderstellingen, hypotheses,
waarvan het bestaan van een Universele Scheppende Kracht m.i. een hoge mate van
juistheid kent. Het is deze kracht, die een strikte ordening in het universum
aanbrengt: de wetmatigheden, de blauwdrukken, de ethische principes. Dat zijn
abstracties, die betrekking hebben op de materie en de levensvormen die daaruit
voortkomen. De meest concrete producten van die kracht zijn wel de individuele
manifestaties van schepping én bewustzijn. Het is onze taak, daaraan zoveel
mogelijk uitdrukking te geven.
Literatuur
Zie
artikel “Evolutie van het wereldbeeld II” in: GAMMA, augustus 2002
Zie
ook: Scientific American, special edition 2002. Cosmos. The once and future.
Tegenstrijdige belangen
Gerrit
Teule
Een vraag die mij steeds blijft boeien is deze: hoe intelligent ís de mens nou eigenlijk helemaal? Laat ik maar meteen de vraag beantwoorden: ik heb daar geen hoge pet van op, en dat geldt ook voor mijn eigen intelligentie. Niet dat ik mijzelf echt dom vindt vergeleken met een heleboel andere mensen, maar dat zegt niets over onze absolute intelligentie op de schaal van de evolutie. De enige bruikbare maatstaf is immers de mens zelf. Iemand die dus ook maar een beetje slimmer lijkt dan zijn buurman, wordt al snel als hoogbegaafd afgeschilderd. Het liefst vergelijken wij ons met apen, want daar steekt onze intelligentie tamelijk goed bij af. Daarnaast kennen we de vermaledijde IQ-test, aanvankelijk helemaal toegesneden op de narcistische blanke man, waarin blanken intelligenter overkwamen dan gekleurden en waarin mannen ook hoger scoorden dan vrouwen. De hoogst begaafden onder ons - volgens die IQ maatstaf - mogen landen en bedrijven leiden. Meestal zijn dat dus, wonder boven wonder, blanke mannen. En juist daar doet zich vandaag de dag een merkwaardig verschijnsel voor: de tegenstrijdige belangen (conflicts of interest) en het onvermogen ermee te werken.
Gesjoemel
aan de top
Een zeer in het oog lopend voorbeeld daarvan is het boekhoudkundige gesjoemel in een serie Amerikaanse bedrijven. Wat is het geval? De mannen aan de top willen graag heel veel geld verdienen, want dan ben je pas wat. Veel geld betekent succes, en succes betekent in het Amerikaanse, dat God met je is. If you’re smart, why aint you rich? Daarom ontvangen deze toplieden naast hun reguliere salaris ook nog een fors aantal opties op aandelen van het bedrijf. Een optie bestaat uit het recht om in de toekomst een aandeel te kopen tegen de huidige, vastgestelde marktprijs. Mocht het aandeel dan in waarde gestegen zijn, en de manager zou dat aandeel tegen die gestegen waarde gelijk weer verkopen, dan zou hij dus een flinke winst boeken. Uiteraard kan hij dan ook de optie zelf verkopen, want die is dus geld waard. In beide gevallen kan hij miljoenen opstrijken. Een mooie rege-ling, die voor deze arme sloebers flink wat oplevert, naast het toch al niet zo krenterige vaste inkomen. Indertijd leek het een leuke manier om managers te stimuleren het bedrijfsbelang te bevorderen. Stijgende aandelenkoersen zijn immers een kenmerk van een goedlopend bedrijf, nietwaar?
Maar wat deden deze slimmeriken nou? Ze gingen allerlei boekhoudkundige trucs uithalen met gefingeerde winsten om daarmee de beurswaarde van het aandeel waar ze opties op hadden, kunstmatig op te stuwen. Want een aandeel met veel winstverwachtingen zal stijgen in koers en dat levert aan onze topmanager dus veel op. Kennelijk hadden de accountants ook aandelen of opties in het bedrijf, want die vonden het allemaal prima. Het recept is eenvoudig en geniaal: blaas de boekhoudkundige winsten op, zodat de opties flink in waarde stijgen en verkoop ze dan, vlak voordat het bedrog zichtbaar wordt. De rest van je leven kun je dan doorbrengen als de onlangs overleden Prince de Lignac, badend in weelde op een witte droomboot, omringd door beeldschone jongelingen (of maagden, naar wens). Dat het bedrijf op deze trucs kapot loopt (Enron, Arthur Anderson, Global Crossing, Qwest, Tyco, Worldcom, Xerox, ASQL Time Warner, en er komen er vast nog meer aan de oppervlakte)[1], zal deze heren een zorg zijn. Dat de hele beurs in elkaar klapt wegens de deuk in het vertrouwen van de aandelenkopers, zal ze ook een zorg zijn. Na ons de zondvloed! Zij worden stinkend rijk, en in Amerika is dat succes meteen ook een morele rechtvaardiging. George Bush deed het toch zelf ook?
belangen
bij ziekte
Tegenstrijdige belangen zitten diep geworteld in onze moderne maatschappij. Nog enkele andere voorbeelden. De medisch industrie (dokters, ziekenhuizen, farma-ceutische industrie, revalidatie, kortom: alle 'zorg' bij elkaar) zegt mensen te willen genezen, maar heeft voor haar voortbestaan en welstand belang bij zoveel mogelijk zieke mensen, die ze vervolgens een toch nog lang, maar dan wel gemedicaliseerd leven aansmeren. Preventie van ziekten levert weinig winst op, en dus wordt alles ingezet op symptoombestrijding. A pill for every ill. Dat schuift beter en - geluk bij een ongeluk - bovendien blijft de patiënt in principe ziek. Het kankeronderzoek is ten dele wel op preventie gericht, maar dat deel is dan ook een volslagen mislukking, ook al wordt het tegendeel beweerd. Sommigen spreken zelfs onomwonden van fraude, omdat het vooral gaat om het accumuleren van gedoneerd kapitaal, de rente van de angst, waarbij het echte geneesmiddel voor kanker al tientallen jaren net om de hoek ligt. En daar blijft het ook, want een echt effectief en preventief supermiddel tegen kanker (of AIDS etc.) zou slecht zijn voor de zorgeconomie. Eén op de drie Nederlanders krijgt nu in zijn of haar leven te maken met een vorm van kanker en daarmee zijn we samen met enkele andere Westerse landen kampioen van de wereld. Een enkeling, zoals Moerman indertijd, beweert dat goede, onbespoten voeding (en een stralingsarme omgeving) het enige effectieve middel is ter preventie van kanker, maar daarmee tref je niet alleen de medische, maar ook nog eens de voedselindustrie en de telecomindustrie in de beurs. Moerman is dus afgeserveerd. Dr. Vogel ook.
de
zeperd van de eeuw
Nog wat meer over die stralingen. Onze regering zou de Nederlanders moeten beschermen tegen elektromagnetische stralingen en gifstoffen, die in ons lichaam allerlei biologische effecten, vaak ook met schade, veroorzaken. De instantie, die met name de stralingen beoordeelt is een commissie van de Gezondheidsraad (hierna GR). In deze commissie zat tot 1998 ook een vertegenwoordiger van de KPN, en deze man zat daar niet om alleen maar punten aan potloden te slijpen. Van meet af aan is het oordeel van de GR over straling altijd gunstig geweest voor de elektrotechnische industrie. De stralingslimieten zijn namelijk zo hoog vastgesteld, dat de fabrikanten zich weinig zorgen hoeven te maken over stralingsgevaar. Ze kunnen onbezorgd hun gang gaan, net zoals indertijd de tabaksindustrie. Vandaag de dag kan deze commissie van de GR, door het hardnekkig volgehouden standpunt dat alleen lichaamsverwarming door straling schadelijk kan zijn, niet meer terug zonder ernstig gezichtsverlies. Vanuit pure gezondheidsperikelen geredeneerd zouden ze namelijk een veel strengere stralingsnorm moeten hanteren. Vandaar de vaststelling, dat deze commissie tot op heden meer op heeft met de financiële gezondheid van de telecomproviders dan met het Nederlandse publiek. Diezelfde overheid (want de GR is ook een overheidsinstelling) is tegelijk grootaandeelhouder van de KPN en heeft ook miljarden verdiend aan de verkoop van zendlicenties. Om een dreigend debacle van de nieuwe generatie telefoons (UMTS, read my lips: de zeperd van de eeuw) nog wat bij te sturen, heeft de Paarse regering in haar allerlaatste nadagen nog even besloten, dat zenders op een spriet van minder dan vijf meter voortaan zonder vergunning mogen worden geplaatst. Dat geldt dus voor alle GSM- en UMTS-zenders op hoge gebouwen, want de vijf meters worden geteld vanaf het dak niveau. Nog veel meer straling dus, vooral in stedelijke gebieden. Tegelijk beloofde de voormalige staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat Monique de Vries, na enige slappe kritiek vanuit de kamer, een uitgebreid Nederlands onderzoek naar de biologische effecten van deze stralingen. En dat terwijl in Nederland nog nooit een steekhoudend onderzoek naar dat onderwerp is gedaan. Slechts één onderzoekje is bekend (over temperatuurstijging aan het oor door GSM-gebruik) en dat werd gesponsord door de KPN. Uitslag: niets aan de hand. Zo doen we dat in Nederland.
de
kiezen stijf op elkaar houden
Onlangs verscheen een rapport van dr. Samuel Epstein M.D. en Quentin Young, M.D. over de sterke escalatie van leukemie bij kinderen. Ze somden vele redenen op, variërend van de anti-vlooienband bij hond of kat tot kankerverwekkende stoffen die al voor de geboorte bij het kind binnenkomen. Nitriet in vlees, pesticiden in babyvoeding, onkruidbestrijders in de tuin, lindaan in shampoo, Ritalin tegen overactiviteit bij kinderen, stralingsinvloeden bij vader, moeder en kind, al deze zaken en nog veel meer bevorderen de kans op leukemie bij kinderen en ze bevorderen ook vormen van kanker op latere leeftijd. De basis voor de leukemie wordt volgens deze wetenschappers al gelegd in de eerste weken van de zwangerschap. De Amerikaanse kankerassociaties (National Cancer Institute en American Cancer Society) waarschuwen hier niet tegen, maar vergaren wel aanzienlijke kapitalen aan giften, die vervolgens belegd worden in de bedrijven, die deze kankerverwekkende producten op de markt brengen. Als zij hun aandelenkapitaal op orde willen houden, moeten ze de kiezen dus stijf op elkaar houden. Het in stand houden van dit kapitaal (en dus hun machtspositie) lijkt uiteindelijk belangrijker dan het doel, waarvoor de club is opgericht.
aannemelijke
babbels
Het is om dol van te worden. Een complicerende eigenschap van hoge intelligentie is dat ook de bijbehorende babbels heel aannemelijk in elkaar zitten. Sla de kranten maar open: één eindeloos gezever van intelligent gebabbel om de status-quo te duiden en vooral in stand te houden. En dan moet je wel superintelligent zijn om daar weer doorheen te breken. Bij veel slimme mensen ligt daar dan ook de scheidslijn. Ze zijn wel slim genoeg om de redenering op te zetten of te begrijpen, maar niet slim genoeg om diezelfde redenering in een groter perspectief te plaatsen of desnoods af te kraken. Om dezelfde reden zijn veel mensen niet in staat om een compromis te bereiken. Dat vereist namelijk in de geest voldoende ruimte om met twee tegengestelde ideeën tegelijk te jongleren en er vervolgens zelfs nog een derde aan toe te voegen, het te bereiken compromis. Het conflict of interest vereist dus ook, dat tegenstrijdige belangen beide ruimte vinden in de geest, en kennelijk zijn veel mensen zo narrow-minded, dat slechts één belang overblijft: het eigenbelang of het belang van de eigen groep, beide op korte termijn. Het hemd is nader dan de rok. Eigen volk eerst. Vul zelf de bekende slogans maar in.
hoop
op bewustwording
Maar soms gaat de tegenbeweging helemaal vanzelf, zoals bij de beurs malversaties. Dat geeft weer nieuwe hoop op een volgende stap in de bewust- wording. Als je de overall intelligentie van handelen en gevolgen probeert te overzien, dan blijkt dat de intelligentie van het menselijke handelen in het algemeen op een laag peil staat, hoe slim de individuen ook mogen zijn. Met name het beursverloop laat een panische reactie zien, een chaotisch draaiend Rad van Fortuin, waar onze economie en onze welvaart van afhankelijk zijn. Irrationeler kan het haast niet. Zelfs een mierenhoop presteert beter, omdat deze beestjes hun eigen nest goed verzorgen en geen last hebben van tegenstrijdige belangen. Ooit een mier gezien met een dubbele agenda?
de
stem van het geweten
Kennelijk is het dus zo, dat mensen - ook de hogergeplaatsten onder ons - ondanks hun veelgeprezen intelligentie, slechts een smal gebiedje kunnen overzien. Bij de rest regeert het onderbuikgevoel, maar dan wel verpakt in zeer intelligent gezwets. Een topmanager, die streeft naar meer winst, kan er daarom geen morele scrupules bij hebben, en datzelfde geldt voor een toppoliticus die de BV-Nederland leidt. Niet omdat hij a-moreel zou zijn - wee mij, als ik dat zou durven beweren! - maar eenvoudigweg omdat er in zijn hersenen niet meer denkruimte beschikbaar is. Op zichzelf is dat geen schande, maar gewoon een psychisch feit. Een topmanager met een geweten (dat is zo’n stemmetje naast je normale denken, in een andere hersendimensie, dat steeds blijft doorzeuren) is eigenlijk niet geschikt voor zijn job. Althans, hij mag het niet laten merken. Dan maar een verdovend pepmiddeltje erin. Veel politici gebruiken daar 'macht' voor.
De
overkoepelende moraal
Het conflict of interests en het gebrek aan intelligentie om ermee te werken zijn helemaal van deze tijd. Dat komt eenvoudig omdat een overkoepelende moraal gesneuveld is in het streven naar persoonlijke rijkdom en enkelvoudige belangen. Velen denken tegenwoordig dat de vrije markt die overkoepelende moraal automatisch levert. Tel alle eigenbelangetjes bij elkaar op en 'als door een onzichtbare hand geleid' gaat het allemaal vanzelf goed. Geld, privatisering en de vrije markt zijn daarom nu even heilig verklaard en iedereen, die daartegenin gaat, wordt met name door VVD-economen voor onintelligent versleten. Wat deze idiote mening betreft komt de huidige beurskrach dus als geroepen. Wie lacht niet die de beurs beziet!
de
inbreng van Teilhard
Die
overkoepelende moraal zou overigens vereisen, dat je, het geheel overziende, min
of meer objectief vaststelt wat het beste is voor de patiënt, voor het bedrijf,
voor de markt, voor het land of voor deze wereld en mogelijkerwijs zelfs voor
deze kosmos. In plaats daarvan doet men, wat het beste lijkt voor zichzelf en de
eigen beurs, waarbij uitsluitend de korte termijn in acht wordt genomen. Het
idee, dat dit eigenbelang de beste drijfveer is voor een gezonde economie, is in
feite alleen maar het verdonkeremanen van een algemeen menselijk gebrek: het
hardnekkige onvermogen om tegenstrijdige belangen met elkaar te verenigen in
iets, wat daar ver bovenuit stijgt. Misschien kwam in Teilhard de Chardin de
nieuwe Darwin naar voren, die zegt dat het juiste handelen met tegenstrijdige
belangen een voorwaarde is voor de verdere evolutie van de mens. Niet survival of the fittest maar survival of the wisest.
[1] Dit artikel lag al bij de redactie voordat er sprake was van malversaties bij het Ahold-concern.
De
big bang, de kosmische cocon en de mentescoop
Gerrit
Teule
Een
knal en een lichtflits?
Er
wordt ons door de wetenschap verteld, dat dit hele universum ooit begon met een big
bang. Daarbij stellen velen zich voor, dat er zoiets was als een
verschrik-kelijk grote knal met een enorme lichtflits, indachtig het
Bijbelwoord: "Daar zij licht!". Helaas, niets is minder waar. Dat
licht kwam pas duizenden jaren later. En in de eerste split second van
dit heelal was er helemaal geen knal en er flitste ook niets. Trouwens, er was
ook geen oor om een knal te horen en er was geen oog om een flits te kunnen
zien. Nog erger, dat oog en oor zouden zich dan terzijde van de knal moeten
bevinden en dat is helemaal onmogelijk. In het boek Elektromagne-tisme en het
Heilige geeft Lawrence Fagg een samenvatting van wat er volgens de
wetenschap gebeurde in de eerste momenten na de big bang. Hij beschrijft
daarbij de stand van de wetenschap anno 1998. Ik geef de vertaalde
tekst, met daaraan verbonden een kleine discussie, die ik met hem had
over een denkprobleem.
Hier
begint het citaat:
Volgens
de schattingen van de meeste natuurkundige kosmologen was het universum
ongeveer veertien miljard jaren geleden[1]
ongelooflijk geconcentreerd en compact, gekarakteriseerd met lengteschalen van
10-33 centimeters (een miljardste triljoenste triljoenste van een
centimeter). Dit initiële stadium van haar leven is de Plancktijd genoemd (naar
Max Planck, een van de grondleggers van de kwantumtheorie). Men neemt aan dat
alle krachten van de natuur toen verenigd en niet van elkaar te onderscheiden
waren. Toen het universum zich uitbreidde vanaf deze ongelooflijk compacte
staat, splitsten de krachten zich en werden ze stap voor stap gescheiden tot de
vier krachten, die we vandaag kennen: twee krachten in de atoomkernen - de
zwakke kernkracht en de nucleaire kracht - en twee krachten daarbuiten: de
zwaartekracht en de elektromagnetische kracht. Bij deze scheiding koelde het
heelal af tot een serie 'soepen', waarbij elke 'soep' complexere deeltjes
bevatte die samengesteld werden vanuit meer elementaire deeltjes in de vorige
soep. In dit proces speelde de nucleaire en de zwakke kracht de voor-naamste rol
bij het samenstellen van complexe deeltjes uit eerdere soepen. Zo kwamen bij
voorbeeld quarks samen, drie per stuk, om neutronen en protonen te vormen.
Daarna verenigden de neutronen en de protonen zich in een volgende soep van
lagere temperatuur tot lichtkernen zoals deuterium (zware waterstof), helium en
lithium.[2]
Alhoewel
de elektromagnetische kracht in deze processen samen met de andere krachten een
duidelijk omschreven rol speelde, was het toch de laatste soep waarin de
elektromagnetische interactie (EMI [3]
) haar eerste en kenmerkende stempel op het universum drukte. Ongeveer
driehonderdduizend jaren na de 'grote knal' was het universum voldoende
uitgebreid en afgekoeld om negatief geladen elektronen in staat te stellen zich
te hechten aan positief geladen kernen. Dat gebeurde door de elektromagnetische
kracht en er ontstonden elektrisch neutrale atomen. Dit stelde de
elektromagnetische straling (licht) in staat om vrij door het universum te
reizen zonder steeds gevangen te worden in een constante interactie met de geïoniseerde
deeltjes, die karakteristiek waren voor de vorige soepen.
Het
afgekoelde overblijfsel van deze straling vormt, wat vandaag wordt genoemd, de
kosmische microgolfachtergrondstraling (cosmic microwave background,
hierna CMB). De ontdekking van de CMB in 1965 door Arno Penzias en Robert Wilsom
(waarvoor zij de Nobelprijs voor natuurkunde ontvingen) bewees een cruciaal deel
bij de experimentele ondersteuning van de big bang-theorie. Het gehele
universum is gedrenkt in deze elektromagnetische straling met zeer lage energie,
die de eerste en nog steeds bestaande voetafdruk van het
elektromagne-tisme in de kosmos is. Ergo, de CMB kan - gezien vanuit een modern
standpunt - met goede argumenten beschouwd worden als een relatie - metaforisch
of anders-zins - met wat in Genesis 1:3 beschreven staat als: "Daar zij
licht, en er was licht."
Uiteraard
hadden de schrijvers van de Bijbel nog nooit gehoord van de CMB. Voor hen was
het licht in het boek Genesis waarschijnlijk het licht van de zon, de maan, de
sterren en de sterrenstelsels. Deze sterren en sterrenstelsels zijn volgens de
huidige gedachten gegroeid vanuit extreem kleine en compacte
dichtheids-concentraties, die karakteristiek waren voor het vroege universum.
Het bewijs voor deze dichtheidsconcentraties was in 1992 gevonden door George
Smoot en zijn collega's, die kleine, voorheen niet detecteerbare variaties in de
CMB ontdekten.
Door
de zwaartekracht veranderden deze dichtheidsconcentraties in 'aantrekkende
zaden', die meer en meer materie uit de omgeving naar zich toetrokken.
Uiteindelijk resulteerde dat na miljarden jaren in de sterren en
sterrenstelsels, die we nu kunnen zien. Het schijnen van de sterren is het
gevolg van de enorme hitte, veroorzaakt door nucleaire fusiereacties. Daarbij
wordt de buitenwaartse druk van de kernfusies in evenwicht gehouden door de
binnenwaarts gerichte zwaarte-kracht. Zo
vormen de sterren en de sterrenstelsels een tweede middel, waardoor het
universum ondergedompeld is in elektromagnetische straling, maar deze keer over
een veel breder spectrum van golflengten.
Na
het opbranden van hun nucleaire brandstof vielen de eerste generatie sterren in
elkaar door hun eigen onbelemmerde zwaartekracht, wat resulteerde in supernova-
explosies. In deze explosies werd het 'sterrenstof' gevormd, de zware elementen
waarvan wij zelf gemaakt zijn. Sterren van de tweede en derde generatie
werden toen gevormd, waarvan vele met planeten. Onze zon is zo'n ster. Zij
omhulde onze aarde met elektromagnetische stralingen, die van vitaal belang
waren voor de evolutie van het leven en de menselijke soort. Dat zie ik als het derde
stadium van de rol van elektromagnetisme in de evolutie van het universum: het
stadium waarin het volledige spectrum van zijn prachtige subtiliteiten in het
spel kwam. Door middel van de EMI resulteerde
dit in de evolutie van het leven en van mensen, die zich bewust zijn van hun
bewust-zijn en die de immanentie van God kunnen voelen en erover kunnen spreken.
Ergo, het universum werd zich bewust van zichzelf .
Dit
samenvattend kan ik dus zeggen, dat de vier samenwerkende krachten het mogelijk
maakten, dat het universum na de eerste driehonderdduizend jaar van zijn
bestaan transparant werd.
Daarna
liet het elektromagnetisme zijn eerste blijvende merkteken achter door het
universum te doordringen met het oudste licht. In de lange tijdperken die daarop
volgden, werkten de vier krachten weer samen om de sterren en de
sterren-stelsels te vormen. Het licht van deze sterren vormde de tweede
handtekening door het universum te voorzien van miljarden en miljarden
'lichtpunten'. Tenslotte volgde het elektromagnetisme zijn eigen weg,
onafhankelijk van de andere drie relatief passieve natuurkrachten, door zich in
het derde stadium bezig te houden met de evolutie van het leven, van mensen en
van het bewustzijn op deze aarde (en misschien op andere planeten bij ander
sterren). Einde citaat Lawrence Fagg.
Sneller
dan het licht?
Met
de heer Fagg had ik na de vertaling van zijn boek nog een korte discussie over
de vraag, hoe het toch mogelijk was, dat sterrenstelsels betrekkelijk kort na de
oerknal al miljarden lichtjaren van elkaar verwijderd konden zijn. Dit zou
namelijk kunnen betekenen, dat deze materie zich in de eerste seconden van dit
heelal met een véél grotere snelheid dan die van het licht, 300.000 km/sec,
moet hebben verplaatst. Ga maar na. De oudste sterrenstelsels, die wij kunnen
waarnemen, staan ca. 12,5 miljard lichtjaren bij ons vandaan. Dat betekent, dat
deze stelsels hun licht 12,5 miljard jaar geleden naar ons toe zonden. Het
beeld, dat wij nu van deze stelsels ontvangen, is dus het beeld van 12,5 miljard
jaar geleden en deze beelden werden uitgezonden vanaf de plaats, waar deze
stelsels zich dus 12,5 miljard jaar geleden bevonden. In het heelal zien wij
overal om ons heen dergelijke extreem ver verwijderde sterrenstelsels.
Ogenschijnlijk lijkt het, alsof wij ons daar middenin bevinden. Hoe deze verre
stelsels er nu uitzien en waar ze zich nu bevinden, is voor ons absoluut
duister. Het licht van wat daar is gebeurd, heeft ons simpelweg nog niet bereikt
en dus weten wij daar niets van. Het is dus heel goed mogelijk, dat er over
bijvoorbeeld honderd of een miljoen jaar weer nieuwe sterrenstelsels opduiken,
omdat hun lichtstraling dan pas bij ons is aangekomen. Maar 12,5 miljard jaar
geleden stonden deze sterrenstelsels al zover van elkaar verwijderd, dat het
licht er miljarden jaren over doet om ons te bereiken. Nu wordt de leeftijd van
het heelal tegenwoordig geschat op 13,5 miljard jaar, en dus moeten deze
sterrenstelsels hun ververwijderde positie ongeveer een miljard jaar na de big
bang al hebben bereikt. Probleem! Dat zou alleen kunnen, als deze stelsels,
of de materie waaruit ze zijn opgebouwd, vanuit het onvoorstelbaar kleine
beginpunt van de big bang met een veel grotere snelheid dan die van het
licht is verspreid. Maar dat is volgens de relativiteitstheorie onmogelijk, want
de maximumsnelheid van wat dan ook is 300.000 km/sec, de lichtsnelheid. Een
miljard jaar na de big bang zouden die sterrenstelsels volgens deze
maximumsnelheid nooit verder weg kunnen staan dan een miljard lichtjaren.
De
oplossing van dit raadsel zit 'm deels in een relativistische truc en deels in
de bovenomschreven theorie, dat het licht pas 300.000 jaar na de big bang
ongehinderd door het heelal kon reizen. Voor die tijd kwamen de fotonen
onophoudelijk in aanraking en in wisselwerking met andere deeltjes. Er was
zogezegd door de eerste soepen geen doorkomen aan. De eerste lichtstralingen
stammen dus van 300.000 jaar na de big bang, en de zwakke kosmische
achtergrondstraling (CMB) is daarvan een overblijfsel. De relativistische truc
schuilt hierin, dat we een onderscheid moeten maken tussen de ruimte en de
materie, die zich in deze ruimte bevindt. Niet de materie bereikte een hogere
snelheid dan die van het licht, maar de ruimte zelf breidde zich uit met een
snelheid ver boven de lichtsnelheid en sleepte de materie met zich mee naar
buiten.
Dat
is conceptueel lastig te begrijpen. In zo'n geval gebruiken we een analogie.
Vergelijk dit met de bewegende jumbojet. Stel nu eens dat de maximumsnelheid van
een mens op zijn benen 36 km/uur is (dat is de 100 meter in 10 sec.), dan is de
snelheid, die hij in een jumbojet kan bereiken hoger. Stel dat de snelheid van
de jumbojet 1000 km/uur is, dan is de totale snelheid van de loper dus 1036
km/uur. Als we in deze analogie die 36 km/u even zien als de lichtsnelheid en de
snelheid van de jumbojet als de expansiesnelheid van de ruimte, dan wordt het
misschien wat duidelijker. De maximale snelheid van het licht en de materie
blijft 300.000 km/sec (de maximale 36 km/uur voor de hardloper), maar de ruimte
waarin dit licht en de materie zich voortbewegen (het gangpad van de jumbojet)
expandeerde vlak na de big bang met een extreme snelheid. In de
triljardste seconde na de big bang vond die expansie zelfs met een
vrijwel oneindige snelheid plaats. Op deze manier kunnen we ons enigszins
voorstellen, dat in de eerste seconden van het heelal al een ruimte werd bereikt
ter grootte van ons heelal. Bovendien kon die expansie bij afnemende snelheid
nog 300.000 jaar doorgaan, voordat het eerste licht door het heelal ging reizen.
Volgens de geleerden gaat de expansie van de ruimte nu nog steeds door.
Hoe
dan ook, bij de big bang zelf was er helemaal geen lichtflits te zien,
ook al zou er toen een oog geweest zijn om ernaar te kijken
Het lijkt nog het meest op een zwart gat, dat zich met een enorme
snelheid uitbreidde. Pas veel later werden er elektromagnetische stralingen en
fotonen uitgezonden, die na een uiterst lange tocht door de ruimte nu pas ons
oog en onze instrumenten bereiken.
Onze
kosmische cocon
Bij
het denken over dit soort 'ver-van-ons-bed'-zaken stuiten we op problemen. Ons
denken en onze waarnemingen zijn gelimiteerd en volgens de wetenschap zijn deze
begrenzingen keihard. Aan de bovenkant, in het grote heelal, bestaat deze limiet
uit de snelheid van het licht, 300.000 km/sec. Dat is heel snel, maar niet
oneindig snel. We kunnen een ster of sterrenstelsel niet waarnemen, als het
licht daarvan onze instrumenten of ons oog nog niet heeft bereikt. Ook de
onzichtbaarheid van een 'zwart gat' berust op dit principe. Tegenwoordig
ontvangen we met de Hubble-ruimtetelescoop deep sky-beelden van
sterrenstel-sels, die ca. 12,5 miljard jaar geleden naar ons werden uitgezonden.
Wat zich daarachter bevindt, weten we dus helemaal niet. Het is best mogelijk,
dat zich daar nog miljarden sterrenstelsels bevinden, maar wij zullen ze
voorlopig niet te zien krijgen. Evenzo zien wij van deze verafgelegen
sterrenstelsels ook niet de huidige toestand. We zien een beeld, dat jaren,
eeuwen, miljoenen of miljarden jaren geleden is verzonden. Dat is net zoiets als
het ontvangen van een kerstkaart vanuit de tijd van Plato. Hoe die ster of dat
sterrenstelsel er nu uitziet, weten we niet. Misschien zijn die sterren allang
ontploft en zijn er uit de stofwolken weer nieuwe sterren ontstaan. We verkeren
dus in absolute onzekerheid over de vraag, wat die sterren en stelsels nu
precies aan het doen zijn.
Aan
de andere kant van het universum, in de wereld van de allerkleinste deeltjes,
stuiten we op een soortgelijke begrenzing. Daar kennen we ook een limiet: het
onzekerheidsprincipe van Heisenberg. Dat principe zegt, dat we bijvoorbeeld niet
tegelijk de plaats en de snelheid van een elementair deeltje kunnen waarnemen.
We kunnen dus nooit precies weten, wat zo'n deeltje aan het doen is of waar dat
precies gebeurt. Daar houden de mogelijkheden van onze waarneming gewoon op.
Wat
ons waarnemingsvermogen betreft, leven we in een 'kosmische cocon', zegt
Lawrence Fagg. Als we het allerkleinste deeltje samen met het allergrootste in
de ruimte op een getalsmatige schaal zouden willen zetten, dan zitten er
tussen de bovenkant en de onderkant van deze schaal ongeveer 45 machten
van tien, dus:
1
000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000 000
Op
deze enorme kosmische schaalverdeling zitten wij zelf ruwweg in het midden, ca.
22 machten van tien vanaf de onderkant. Indertijd is daar een film over gemaakt,
getiteld Powers of ten. Op mij heeft deze film een onuitwisbare indruk
achtergelaten. In de film wordt er afstand genomen vanaf een huiselijk
tafereeltje, een picknick op een grasveldje,
eerst naar boven 10 meter, 100 meter, 1000 meter, 10 kilometer,
enzovoort, tot aan het einde van het heelal. Je zag sterren en hele
sterrenstelsels passeren. Helemaal aan het eind was alleen maar zwarte leegte.
Daar hield de waarneming op, omdat het licht niet snel genoeg gaat om ons in al
die miljarden jaren te kunnen bereiken. Daarna ging het pad versneld terug naar
de picknick en van daaruit werd een detail onder een vergrootglas gelegd: eerst
10x, daarna 100x, dan 1000x enzovoort, tot voorbij de allerkleinste deeltjes
tussen de kernen en de elektronen in. Ook daar was zwarte leegte. In de buurt
van deze zwarte leegten houdt onze waarneming gewoon op. Daar begint de principiële
onzekerheid.
Als
de eonenhypothese, waarover ik in GAMMA al vaker schreef, ooit nog eens
als feit aanvaard zou worden, dan duikt er nog een principiële limiet op, en
wel op onze eigen menselijke schaal. Dat is namelijk het feit, dat er buiten
onze alledaag-se driedimensionale werkelijkheid geen waarnemingen mogelijk zijn.
De eonen-hypothese stelt, dat onze geest wordt gevormd uit een fotonenkluwen.
Als zodanig past dat helemaal in het idee, dat ook onze geest gevormd wordt door
de elektromagnetische kracht, waarbij elektronen en fotonen een cruciale rol
spelen. Dit 'balletje licht' bevindt zich echter in een 'geestdimensie', een
opgepropte vierde ruimtedimensie, die op één punt raakt aan onze dagelijkse
tijdruimte, en dat raak-punt kennen wij als een elektron. Op deze manier bekeken
is de eonenhypothese een uitbreiding van de gangbare elektromagnetische theorie
(de QED, Quantum Electro Dynamics, tot op heden de meest succesvolle
wetenschappelijke theorie) en zou de werking van onze geest, afgezien van deze
vierde ruimtelijke dimensie, ook geheel kunnen vallen onder de QED. De
geestelijke ruimtedimensie is voor onze ogen en instrumenten echter niet
benaderbaar, net zoals wij ook niet in een zwart gat kunnen kijken. Dat blijft
dus buiten bereik van onze wetenschappelijke waarneming, hoe graag we ook met
instrumenten in onze eigen geest zouden willen kijken. Geheel terecht zei daarom
een wetenschapper over de eonen-hypothese, dat deze hypothese "niet berust
op een waarneembare werkelijkheid". Vervolgens concludeerde de man, dat het
dus ook niet de moeite waard is om daar verder mee bezig te zijn. Daarin vergist
hij zich deerlijk. Maar het is waar, ook daar lopen we aan tegen een harde
begrenzing. Alles buiten deze grens is giswerk en fantasie, net zoals alles aan
de verste einden van het heelal of in de diepste diepten van de materie. In de
tekening op blz. 44 is deze kosmische cocon samengevat.
De
mentescoop
Mijn
tekstverwerker geeft het woord 'mentescoop'
als een spelfout aan, maar misschien verandert dat wel binnen enkele
jaren. Zoals de telescoop ons helpt bij het aftasten van de 300.000 km/sec
begrenzing, en de microscoop (samen met de deeltjesversnellers) ons helpt bij
het aftasten van de kleinste-deeltjes-begrenzing en Heisenbergs onzekerheid, zo
gaat de mentescoop ons helpen bij het aftasten van de onzichtbare geestelijke
dimensie. Het apparaat bestaat nog niet, alhoewel een MRI-scanner wel een poging
doet om enigszins in de buurt te komen. Als de eonenhypothese juist is, dan zal
een mentescoop net zoals een telescoop en een microscoop werken op basis van de
elektromagnetische interactie (EMI). Maar om het echte grensvlak tussen geest en
materie te benaderen, moet de mentescoop in staat zijn afzonderlijke bewegingen
van virtuele fotonen waar te nemen. In mentale zin noemen we dat grensvlak de
'wil', die overal in de natuur en in onszelf aanwezig is: de wil om tot
bewustzijn te komen, die de evolutie voor zich uit drijft. Tot nu toe zijn
virtuele fotonen onzichtbaar, vandaar ook het woord 'virtueel'. Volgens de
gangbare elektrodynamische theorie zijn ze in grote wolken aanwezig binnen in de
atomen en tussen de atomen, waar ze in ieder geval als lijm fungeren en
hoogstwaarschijnlijk ook inhoudelijke mentale boodschappen doorgeven. We weten,
dat ze er zijn, wat ze zijn en waar ze zijn. Maar wat ze precies aan het doen
zijn, weten we niet. Fagg zegt het zo: "Wat ik naar voren wil brengen is
(ongeacht of er nu een brug is tussen verstand of geest aan de ene kant en
materie aan de andere, of dat ze allebei deel zijn van een tot nu toe
onbegrijpelijke ruimtelijkheid), dat
de EMI op het grensvlak van de materie staat en met haar tentakels grijpt naar
geest en verstand om daarmee informatie over te brengen en opdrachten uit te
voeren." Mijn God, wat zou ik graag als uitvinder van de mentescoop de
geschiedenisboekjes ingaan. Al jaren werk ik eraan en denk ik erover na. Nu
heeft het apparaat ook al een naam gekregen. Nu nog de techniek. Helaas, die is
nog niet zover…
Over
wat er buiten onze kosmische cocon achter het bereik van de telescoop,
microscoop of mentescoop zou kunnen bestaan, kunnen we dus alleen maar
fantaseren en SF-boeken schrijven. De enig mogelijke benaderingsvorm van de
geestdimensie is van binnenuit, zo u wilt, via meditatie. Ergo, misschien
bestaat die mentescoop allang, maar hebben we dit apparaat in onze westerse
samenleving nooit op haar waarde geschat. Hoe dan ook, de kosmische cocon is aan
alle kanten zowel theoretisch als praktisch voor ons gesloten. We kunnen alleen
de begrenzingen aftasten. Enige bescheidenheid is dus gepast.
Wie
helpt onze Stichting? Wij
hebben behoefte aan vrijwilligers die vanuit
hun vakkennis bereid zijn ons wat werk
uit handen te nemen. Het
betreft: *
het recenseren van boeken op het gebied
van filosofie, theologie, natuurkunde,
biologie en dergelijke.
*
het vertalen van teksten uit het Engels of
Frans op bovenstaande gebieden *
het beoordelen van dergelijke teksten voor
publicatie Reacties:
tel. 072-5332690 e-mail:
sttdc@ tiscali.nl
[1] De
ouderdom van het universum is een van de meest controversiële onderwerpen
in de hedendaagse
kosmologie. Haar geschatte waarde is gebaseerd op een aantal
onderling afhankelijke variabelen,
waaronder de gemiddelde uitbreidingssnelheid van het universum en de
gemiddelde massadistribu-
tie ervan. Schattingen variëren van ruwweg twaalf tot vijftien miljard jaren.
[2]
Het is belangrijk op te merken dat dit kosmische evolutiescenario een
gevolgtrekking is van mathe-
matische extrapolaties terug in de tijd, vanaf wat we nu kennen als
het fysieke universum. Bij de
allereerste stadia van het scenario, dat wil zeggen, de allereerste
'soepen', wordt gedacht aan
zulke
hoge energieconcentraties en temperaturen, dat hun bestaan en hun
eigenschappen nooit in een
experiment direct bevestigd kunnen worden.
[3]
Fagg gebruikt de afkorting EMI veelvuldig in zijn boek. EMI staat voor de
uitgebreide activiteit van
de elektromagnetische kracht in dit heelal.
Natuurlijke
theologie gebaseerd op naturalistisch theïsme-1
Ben Crul
In
het vorige hoofdstuk is Whiteheads versie van een naturalistisch theïsme
uitgelegd en heeft Griffin betoogd dat, ondanks enige problemen met de visie van
Whitehead, een coherente en consistente versie van dat theïsme kan worden
ontwikkeld. Hij heeft ook laten zien waarom deze versie niet kan worden
afgewezen als te ver verwijderd van de gangbare betekenis van het woord God. In
dìt hoofdstuk 5 bespreekt Griffin de voornaamste redenen om te geloven dat
zo’n goddelijk wezen ook werkelijk bestaat. Daaraan voorafgaand houdt Griffin
een beschouwing over een aantal kenmerken van de procesfilosofische argumentatie
voor het bestaan van God.
1.
Kenmerken van de procesfilosofische argumentatie voor het bestaan
van God
De
procesfilosofische argumentatie voor het bestaan van God heeft een aantal
kenmerken waar Griffin op attendeert. Op de eerste plaats wijst hij erop, dat
geen van de argumenten mag worden beschouwd als losstaand van het andere. De
argumenten maken deel uit van wat Hartshorne een 'cumulatief argument' heeft
genoemd. Omdat de samenstellende delen van zo'n argument een zekere
onafhankelijkheid hebben, kunnen ze elkaar ondersteunen en lijken ze niet op de
schakels van een ketting, maar op de strengen van een kabel. Ook benadrukt
Griffin dat het bovengenoemde 'cumulatieve argument' niet mag worden beoordeeld
los van Whiteheads procesfilosofie als geheel. Op de derde plaats waarschuwt
Griffin tegen overdrijving bij het gebruiken van de argumenten die hij in dit
artikel geeft. Hij wil daarmee zeggen dat het slechts de precieze vorm van het
procesfilosofische godsbeeld met zijn bijbehorende cumulatieve argumentatie is,
die, deel uitmakend van Whiteheads fundamentele leerstellingen, in dit opzicht
relevant is. De argumenten die hierna worden besproken, kunnen in de twee
volgende soorten worden verdeeld: 1. argumenten die te maken hebben met de
fundamentele aspecten van het bestaan van de wereld in het algemeen, en 2.
argumenten die specifiek samenhangen met het menselijke ervaren.
2.
Argumenten die te maken hebben met de fundamentele aspecten van
De Wereld in het
algemeen
De
fundamentele aspecten waarop Griffin de vijf argumenten van de eerste soort
baseert, zijn: a) de metafysische orde van het bestaan als zodanig; b) de orde
die specifiek is voor onze kosmos, onze wereld; c) het doelgerichte (teleological)
aspect van de orde van onze wereld; d) het opkomen van nieuwheid en e) de
buitengewone schoonheid van de wereld.
Ter
verduidelijking twee opmerkingen vooraf. De fundamentele principes van de
metafysische orde die hierna ter sprake komen, hebben betrekking op de
totaliteit van de werkelijkheid. Voor
het woord 'kosmos' gebruikt Whitehead soms het woord 'kosmisch tijdperk' (cosmic
epoch). Hij duidt daarmee het domein van de werkelijkheid aan, dat wordt
gedomineerd door een speciale soort orde. In onze kosmos, onze wereld, is dat de
structurele orde van de natuurwetten. Volgens Whitehead zijn er, binnen de
totaliteit van de werkelijkheid, ook andere werelden mogelijk. In deel 3 van dit
hoofdstuk zal daar nader op worden teruggekomen.
a)
Het metafysische argument
Het
argument, dat te maken heeft met het bestaan als zodanig is traditioneel het
'kosmologische argument' genoemd. Dit argument, dat het bestaan van de wereld
niet als noodzakelijk beschouwt, maar als toevallig (met andere woorden: de
wereld had er net zo goed niet kunnen zijn), leidde in die traditionele
opvatting tot de conclusie dat het bestaan van de wereld slechts kan worden
verklaard door het bestaan van een goddelijk wezen aan te nemen dat
noodzakelijkerwijs bestaat. Volgens traditionele theologen betekent dit argument
dat die noodzakelijkerwijs bestaande God in alle opzichten noodzakelijk is en
dat de wereld in alle opzichten toevallig of contingent is.
Die
zienswijze wordt door procestheïsten niet gevolgd. Immers: de idee, dat God
noodzakelijkerwijs bestaat, betekent volgens hen niet dat God met alle hoedanigheden
die traditioneel aan hem worden toegeschreven, noodzakelijk is.
En - aan de andere kant - het feit dat onze specifieke kosmos niet noodzakelijk
is, hoeft niet te impliceren dat het bestaan als zodanig van een universum van
beperkte wezens niet-noodzakelijk is. Procesfilosofen verwerpen dan ook het
kosmologische argument in zijn traditionele vorm. Zij menen dat datgene, wat het
kosmologische argument is genoemd, twee van elkaar te onderscheiden argumenten
omvat, namelijk een echt kosmologisch argument, dat straks zal worden
behandeld, en een metafysisch argument dat Griffin in deze passage bespreekt.
De
eerder door Griffin gemaakte opmerking dat de precieze vorm van ieder argument
met de werkelijkheidsvisie van de procesfilosofie en met haar analyse van 'het
ervaren' moet samenhangen, is volgens Griffin met name van toepassing op het
hier bedoelde metafysische argument. In dit verband herinnert hij aan de
cruciale rol die de procesfilosofie toeschrijft aan 'ervarende en beslissende
wezenselementen' (actual entities), die groepsgewijs een gemeenschap vormen en
als zodanig horen bij een 'wezen'. Gedreven door het ultieme verschijnsel
'creativiteit', zijn het deze elementen, die de bouwers zijn van de feitelijke
werkelijkheid doordat ze, feiten en mogelijkheden ervarend, kiezen uit
open-staande mogelijkheden en gebeurtenissen laten plaatsvinden.
Dat
kiezen uit de openstaande mogelijkheden gaat gepaard met het nemen van een
beslissing. Zo’n beslissing houdt in dat er, met uitsluiting van de andere
mogelijkheden, gekozen wordt voor een bepaalde mogelijkheid. Met andere woorden:
er vindt een selectieve beperking plaats. Whitehead is tot de conclusie gekomen
dat de genoemde wezenselementen uit zichzelf over onvoldoende 'niveau'
beschikten om te kunnen kiezen voor de selectieve beperkingen, die nodig zijn
geweest om de complexe wereld zoals wij die nu kennen te doen ontstaan. Zijn
metafysische argument is dan ook, dat het bestaan van een al-tijdig wezen moet
worden aangenomen, dat als formatief element een aanvulling heeft gegeven op de
activiteit van de ervarende en beslissende wezenselementen.
Tot
zover deelt Griffin de mening van Whitehead over de hier beschreven metafysische
principes. Hij attendeert echter op het verschil in hen beider opvat-tingen over
het beeld van God als het bovenbedoelde formatieve element. Ik zal dat verschil
in het kort aangeven.
Uit
passages in de geschriften van Whitehead concludeert Griffin dat Whitehead van
mening was dat de eerdergenoemde ultieme metafysische principes met betrekking
tot de opbouw van het universum hun oorsprong hebben gevonden in een beslissing
van God. Griffin beargumenteert waarom hij deze mening van Whitehead niet deelt
en waarom hij van oordeel is dat de bedoelde metafysische principes niet het
gevolg geweest kunnen zijn van Gods beslissing en zodoende van zijn
wilsbeschikking, maar dat ze deel uitmaken van Gods al-tijdige karakter (eternal
essence). Whiteheads mening zou immers de vrije beslissingen van de
wezenselementen aantasten en zou het probleem van het kwaad weer doen opkomen.
Volgens Griffin is Whitehead misleid door zijn beeld van God als een singuliere
actuele entiteit (singular Actual Entity). Evenals Hartshorne stelt Griffin daar
het beeld tegenover van God als 'een al-tijdige, persoonlijk geordende
gemeenschap van goddelijke, ervarende en beslissende wezenselementen' (divine
actual entities). Kort gezegd vat Griffin zijn metafysische argumentatie als
volgt samen: "Als de zienswijze van de procesfilosofie wordt gevolgd dat
het wereldproces is verlopen en nog steeds verloopt volgens de hierboven
beschreven metafysische principes, kan dat slechts worden begrepen door het
bestaan aan te nemen van een alomtegenwoordig, al-tijdig wezen; door aan te nemen
dat die principes essentieel behoren tot het karakter van dat wezen en door aan
te nemen dat die principes door alle wereldlijke, ervarende en beslissende
wezenselementen (actual entities) kunnen worden ervaren.
b)
Het kosmologische argument
Het
kenmerkende van dit tweede argument, dat berust op de structurele orde van de
natuurwetten van onze kosmos, onze wereld, is al summier toegelicht. Volgens mij
zegt Griffin over het kosmologische argument voor het bestaan van God het
volgende: Naast de metafysische principes van het universum zijn in onze kosmos
de natuurwetten algemeen geldig. Zonder de orde die door die natuurwetten wordt
verschaft, zouden de oorspronkelijke elementen zoals elektronen, protonen en
fotonen niet tot effectieve gebeurtenissen hebben kunnen leiden. Het in onze
kosmos algemeen geldende karakter van deze natuurwetten leidt tot de aanname van
het bestaan van een primordiaal wezen dat, behalve over een onpeilbare wijsheid,
over het vermogen beschikt om beslissingen te nemen en om die beslissingen zó
effectief te laten zijn, dat de kosmos zoals we die kennen, tot stand is
gekomen. Het bestaan van onze wereld suggereert derhalve het bestaan van een
wezen met op z’n minst vele van de hoedanigheden, die kenmerkend zijn voor een
algemeen gangbaar godsbeeld.
Hiermee
is de essentie van de kosmologische argumentatie weergegeven. Van de
procesfilosofie mag echter worden verwacht dat zij niet alleen een goddelijke
werkzaamheid bevestigt, maar dat ze ook verklaart hoe het kan zijn dat die
werkzaamheid efficiënt is geweest. Met andere woorden, de vraag is hoe die
werkzaamheid kan resulteren in wat we gewoonlijk de 'natuurwetten' noemen.
Whitehead maakt in dit verband onderscheid tussen van buitenaf, dwingend
opgelegde wetten (imposed laws) die verwijzen naar externe relaties, en inwendig
levende, zelfgekozen wetten (immanent laws) die verwijzen naar interne relaties.
Descartes, Newton en Leibnitz dachten, uitgaande van 'substanties' met puur
externe relaties, aan de natuurwetten als dwingend te zijn opgelegd door een
transcendente God. Whitehead, uitgaande van wezenselementen (actual entities)
met hun interne relaties met andere elementen, ziet die natuurwetten niet als
dwingend opgelegd. Zo laat hij ruimte voor de vrijheid van de wezenselementen.
Aangenomen mag worden dat aan dwingend opgelegde natuurwetten altijd exact zou
moeten worden gehoorzaamd. De ontdekking dat de natuurwetten eerder statistisch
zijn dan absoluut, ondersteunt derhalve de
opvatting van Whitehead over het niet-dwingend opgelegde karakter van de
natuurwetten.
Whitehead
voegt daar evenwel aan toe dat een opvatting, die elk element van externe beïnvloeding
uitsluit, niet adequaat is. Zo'n zienswijze zou het geloof in de betrouwbaarheid
van de natuurwetten hebben ondermijnd en daarom de weten-schap niet hebben
kunnen inspireren. Voorts heeft Whitehead opgemerkt dat, als elke externe beïnvloeding
als mogelijkheid wordt afgewezen, er geen enkele reden is, waarom de wereld niet
zou zijn vervallen tot een wetteloze chaos. Met andere woorden, volgens
Whitehead is er sprake geweest van een externe, niet-dwingende beïnvloeding
(een quasi-imposition).
In
een door Griffin aangehaald citaat zegt Whitehead niet alleen dat God
in de wereld het wezen is waardoor er natuurwetten zijn, maar hij legt
ook uit hoe naar zijn mening de natuurwetten door Gods, niet-dwingende invloed
tot stand hebben kunnen komen. Dat komt, volgens Whitehead, doordat alle
wereldlijke wezenselementen God ervaren en daarbij Gods initiële
doelstellingen (Gods raadgevingen) ontvangen. We zouden moeten zeggen, zo
suggereert Griffin, dat deze initiële doelstellingen onder andere zowel de
metafysische principes belichamen die Gods eeuwige karakter weerspiegelen, als
de natuurwetten, waartoe God bij de aanvang van die wereld heeft besloten.
c)
Het teleologische of doelgerichte argument
Naast
de evidentie van het bestaan van God op basis van de metafysische principes die
algemeen gelden en van de natuurwetten die voor onze wereld gelden, is er ook
sprake van zo'n evidentie vanuit de opwaartse 'trend' van het evolutionaire
proces. De vraag naar het waarom van die opwaartse trend, zo benadrukt Whitehead,
wordt onbevredigend beantwoord door de stelling van het overleven van de
sterksten (the survival of the fittest). Die stelling legt alleen uit waarom
sommige soorten van organismen erin slagen om te overleven. Als overleven echter
het enige doel van de evolutie zou zijn geweest, zou het opkomen van het leven
onverklaarbaar zijn. Leven zelf is namelijk betrekkelijk arm aan
overlevingskracht. Hogere organismen, zoals otters, walvissen en mensen, zijn
zelfs minder in staat om lang te (over)leven dan laag ontwikkelde organismen
zoals virussen, bacteriën en torren. Het probleem van de evolutie, zo
concludeert Whitehead, is dan ook om te verklaren, hoe het komt dat hogere
organismen, met hun geringe vermogen om te overleven, zich ooit hebben kunnen
ontwikkelen. Whiteheads antwoord is, dat het evolutionaire proces voortgedreven
is door een ander criterium dan louter het overleven., en wel door het criterium
van het ontstaan van wezens met een grotere intrinsieke waarde (intrinsic value),
een waarde waarbij harmonie en bewust ervaren samengaan.
Het
teleologische argument dat de ordening in de natuur de realisatie vormt van een
goddelijk doel, wordt tegenwoordig het argument van het ontwerp (the argument
from design) genoemd. Dit is nu juist de uitdrukking voor het soort goddelijke,
opgelegde invloed dat door de procesfilosofie wordt verworpen. Dit argument,
waartegen Darwin zich richtte, is bekend als het antropisch principe (anthopric
principle) waarvan één van de versies stelt, dat de fundamentele wetten van de
natuur waren gericht op het ontstaan van de mens. Whitehead nuanceert dit
principe in zoverre dat hij meent dat die wetten gericht waren op het
voortbrengen van 'leven'. Met nadruk verwerpt hij de opvatting dat een
almachtige, externe God levenvoortbrengende wetten heeft opgelegd aan een uit
het niets geschapen wereld. Het platonische model van de overreding is volgens
Whitehead nodig om de onmiskenbare trend naar orde te verklaren.
Griffin
gaat vervolgens in op de achtergrond van het evolutionaire proces. Hij wijst er
in dat verband op, dat het Gods streven naar orde is dat het ontstaan bevordert
van gemeenschappen met hun ervarende wezenselementen en ertoe bijdraagt dat die
wezenselementen komen tot een hogere 'intrinsieke waarde' (intrinsic value), dat
wil zeggen een waarde waarin harmonie en intensiteit samengaan. (In hoofdstuk 6
gaat Griffin op het evolutionaire proces nader in).
d)
Het argument ontleend aan het aspect 'nieuwheid'
Het
argument ontleend aan het aspect ‘nieuwheid’ dat zich vooral in de evolutie
heeft gemanifesteerd, is nauw verwant aan het teleologische argument. Binnen de
procesfilosofie betekent het opkomen van nieuwheid in het bijzonder de
realisering van mogelijkheden die voordien in de wereld nog niet door de wezens
(door hun wezenselementen) waren verwerkelijkt. Whitehead heeft erop gewezen dat, op grond van het
ontologische principe (het zijnsprincipe) die
mogelijkheden al 'ergens' moesten zijn om relevant te kunnen worden voor de
wezenselementen door wie ze tot 'feiten' zijn gemaakt. Omdat ze nieuw waren,
konden ze voor die tijdelijke wezenselementen en voor de wezens waar die
elementen bij hoorden, nog niet bestaan. Dit heeft hem tot de argumentatie
gebracht dat er een al-tijdig wezen, een God, moet zijn voor wie al het mogelijke
als zodanig bestaat.
Ter
vermijding van misverstand wil ik daaraan toevoegen, dat Whitehead niet heeft
bedoeld dat de mogelijkheden door God zijn gemaakt. (Dan zou God ook voor het
kwaad verantwoordelijk zijn). Naar ik veronderstel, is er in dit opzicht een
relatie met het ultieme kenmerk van de werkelijkheid: de creativiteit.
Afhankelijk van de actualiteit zijn de mogelijkheden ook voortdurend anders. God
kent de mogelijkheden. Hij heeft een onbeperkt inzicht in dat domein.
In
zijn analyse van het menselijk ervaren, (helder beschreven door Hosinski in zijn
boek Stubborn fact and creative advance, Nederlandse titel Wat gebeurt er in
Gods naam?) heeft Whitehead uiteengezet dat, in zijn visie, de wereldlijke,
ervarende en beslissende wezenselementen (acual entities) Gods initiële
raadge-vingen (initial aims) ervaren en, als ze daarvoor kiezen, kunnen laten
gebeuren. Daarmee heeft Whitehead laten zien hoe het aspect van 'nieuwheid' de
orde in de wereld heeft kunnen kenmerken en van cruciale betekenis heeft kunnen
zijn in het proces van de evolutie. Met betrekking tot het doel van die evolutie
heeft White-head dan ook gezegd, dat orde en nieuwheid niet anders zijn dan de
instrumenten van Gods initiële doelstellingen, gericht op het intensiveren van
de 'rechtstreekse betrokkenheid' (formal immediacy) van de wereld bij de
verwerkelijking van zijn visioen.
e)
Het argument ontleend aan het aspect van buitengewone schoonheid
De
schoonheid van de wereld is al vaak beschouwd als basis voor een argument voor
het bestaan van God. Met name onder invloed van het neodarwinisme is
dit argument genuanceerd door te verwijzen naar een buitengewone (excessive)
schoonheid, dat wil zeggen een schoonheid die uitgaat boven de schoonheid die
verklaard schijnt te kunnen worden met de theorie van het neodarwinisme. Dat is
namelijk een utilitaire, functionele theorie die de verschillende aspecten van
de evolutie verklaart in termen van hun bijdrage tot de geschiktheid van
organismen om te overleven. Veel aspecten van schoonheid kunnen daarmee
inderdaad worden verklaard. Na al die verklaringen is er echter nog veel
schoonheid over die om een andere verklaring vraagt. Griffin verwijst in dit
verband naar uitspraken van Steven Weinberg. Deze natuurkundige spreekt ook over
de schoonheid in de wereld die uit utilitair standpunt onnodig, met andere
woorden, excessief is. Hij neemt echter afstand van de idee om deze schoonheid
aan God toe te schrijven, omdat die
God dan ook verbonden zou moeten worden met ziekten als kanker en…met de
holocaust. Dit is een goed voorbeeld van de tweeslachtigheid waar het beeld van
een bovennatuurlijke God toe leidt. Uitgaande van de procesfilosofische visie
van Gods invloed op de wereld kan die buitengewone schoonheid echter wèl
beschouwd worden als een argument voor het bestaan van een God, wiens schoonheid
wordt weerspiegeld in de buitengewone, niet utilitair verklaarbare schoonheid
van de wereld. Griffin stelt dat dit argument vooral van toepassing is op het
procestheïsme, omdat Whitehead het esthetische karakter daarvan heeft
benadrukt.
VOOR
U GELEZEN:
Maarten
Coolen en Koo van der Wal, red. "Het eigen gewicht van de dingen -
Milieufilosofische opstellen" - Uitg. Damon bv, 220 blzz. , € 16,90
De
milieufilosofische opstellen in dit boek zijn het resultaat van vijf jaar in
telkens vijf sessies debatteren door docenten aan diverse universiteiten in
onder meer filosofie, antropologie en theologie, t.w. Maarten Coolen (1943), Ton
Lemaire (1941), René Munnik, Angela Roothaan (1960), Koo van der wal (1934),
Hub Zwart (1960) en Wim Zweers (1937).
Ieder op hun wijze geven zij de samenhang aan tussen de destructie van de natuur en het moderne denken. Volgens Ton Lemaire zijn de milieuproblemen een gevolg van het humanisme. Dit heeft de mens in het centrum van de natuur geplaatst. Allengs heeft antropcentrisme ertoe geleid, dat men het oog verloor voor het sublieme, het heilige, dat zowel aantrekt als angst inboezemt, het mysterium fascinans ac tremendum. Ook volgens René Munnik is de milieuproblematiek in wezen metafysisch van aard. Hij onderbouwt die stelling met een prachtig verhaal over zijn gehechtheid aan een 'uurwerk' van geringe waarde, dat al geruime tijd in de familie wordt doorgegeven. De 'bewaarwaardigheid' van de dingen, aldus Munnik, wordt niet bepaald door economische, technische of wetenschappelijke criteria. Nee, de dingen hebben deze verworven door hun duur, door het verhaal erachter, hun eigen gewicht. Dit houdt in dat wij niet zo zeer moreel, maar ontologisch verantwoordelijk zijn voor het doorgeven ervan. Hoe autonomer de mens zichzelf echter ziet en de dingen denkt te beheersen, hoe meer het eigen gewicht van de dingen wordt miskend. De milieuproblemen worden dan ook vergroot naarmate men denkt ze louter rationeel te kunnen oplossen. Maar er is hoop. Munnik komt tot een mijns inziens teilhardiaanse conclusie als hij schrijft: "Er schuilt geen tegenstrijdigheid in de gedachte dat het autonome subject dermate autonoom zou kunnen worden, dat het de onthechtigspraktijk van de moderniteit als een last gaat ervaren waarvan het zich wil bevrijden en dat het zich gaat toewenden tot de dingen die het niet kan verantwoorden noch kan produceren, zoals het gewicht van de dingen". Teilhardiaans in deze gedachte is, dat in het evolutieproces de omslag naar het nieuwe plaatsvindt als een structuur tot barstens toe verzadigd is van het oude. Dit boek draagt tot die omslag bij als wij in deze hectische tijd het geduld en de rust kunnen opbrengen het aandachtig te lezen.
Holisme
als basis voor duurzame ontwikkeling
Wouter
Fellendans, Arnold Fellendans
Introductie
Het Charter van de Club van Rome vermeldt sinds 1972 de need to cultivate the HOLISTIC approach. Wie een encyclopedie opslaat om na te gaan wat de notie holistisch oorspronkelijk betekent, leest dat de Zuid-Afrikaanse politicus, militair en wetenschapper Jan Christiaan Smuts het woord holisme in 1926 introduceerde. Smuts is echter bekender geworden als een belangrijke politieke adviseur van Churchill tijdens WO 2 en nog meer als één van de oprichters van de Verenigde Naties. De preambule van het handvest van de VN is vrijwel gelijk aan het concept dat Smuts daarvoor schreef. Aangezien holisme de visie van Smuts op de diepste aard van de natuur was, is de aard van de VN, zonder dat men dat beseft, mogelijk ook holistisch. De Club van Rome duidt echter niet op de diepste aard van de natuur, maar gebruikt het begrip meer in de sfeer van 'de wereld als één geheel moeten zien'.
De visie van Smuts op de aard van de natuur is dat een geheel meer kan zijn dan de som van zijn delen, maar niet doordat er iets aan de delen als lijm is toegevoegd, maar door hun intense interactie door zorgvuldige onderlinge communicatie. Door de interactie van cellen in een organisme krijgen zij samen meer betekenis voor elkaar en voor hun omgeving, namelijk in de vorm van het proces dat wij 'leven' noemen.
Deze opvatting over wat leven eigenlijk is, wordt door biologen tegenwoordig vrij algemeen onderschreven. Volgens Smuts kan intense interactie ook tussen organismen plaatsvinden, of tussen groepen van organismen en dus tussen groepen van mensen of volkeren. Als het hun lukt om veel interactie te bewerkstelligen, kunnen zelfs zeer verschillende volkeren toch samen een waardevol geheel vormen, maar zonder dat het de vanzelfsprekende harmonische werking van een organisch geheel krijgt. Als de VN het klaarspelen om de onderlinge communicatie van landen op gang te houden is er een kans dat WO 3 wordt voorkomen. Daarmee zou de VN het doel van Jan Smuts dienen.
Wouter Fellendans had contact met de filosoof professor Hans Achterhuis over diens opvatting van de betekenis van het woord 'holistisch', zoals die uit De Erfenis van de Utopie blijkt. Achterhuis heeft geen kennis genomen van het denken van Smuts en het woord 'holistisch' met het 'totaal', dus met totalitair geassocieerd. Arnold Fellendans heeft zich verdiept in de collectieve ontwikkeling van siertelers en in hun intense interactie de kenmerken van een geheel kunnen vinden.
SMUTS
EN MORE
Wouter
Fellendans
Regenwoud
Hoe
wonderlijk verwevenheid van leven leidt
tot
evenwicht in één geheel met één gezicht,
maar
evenveel gezichten ook als delen,
en
als delen samen delen in lagere gehelen.
Ecologisch
rekenen:
één
en één een nieuwe één,
en
nog een één is weer een één
en
één is nog een één;
en
de hoogste één is oneindig
schoon.
De delen zijn ondergeschikt aan het geheel; van bovenaf wordt een beperkte ontplooiingsvrijheid opgelegd. Het individu strak in het gareel, ten dienste van het collectief. En daar schuilt het gevaar in van utopieën: in de geschiedenis hebben beschrijvingen van de ideale samenleving aangezet tot totalitaire regimes, waar al wat het welzijn van het geheel bedreigde moest worden weggezuiverd. De goede bedoelingen van Thomas More ten spijt: zijn koning Utopos, die het ideale rijk Utopia maakte, werd vlees en bloed in Stalin en Mao.
Zo boodschapt het fascinerende boek De erfenis van de utopie van Hans Achterhuis. De diepgaande studie vergelijkt verscheidene utopieën en brengt deze in verband met maatschappelijke ontwikkelingen. Holistische blauwdrukken ont-wierpen de utopisten, perfectie van het geheel door de elementen tot in detail in een structuur te vangen. Maar met hun literaire uitingen van maatschappelijke misstanden, contrasterend een maakbare ideaalstaat voorspiegelend, inspireerden idealisten als More tot het verkeerde: gewelddadige onderdrukking in totalitaire regimes.
Verbazing
De boodschap is duidelijk, maar waarom wordt in deze studie holisme in verband gebracht met het opleggen van bovenaf? Bepaald niet conform de filosofie van de Zuid-Afrikaanse generaal Jan Christiaan Smuts, zoals hij haar in de jaren twintig, ondanks alle drukte van zijn politieke werkzaamheden, haastig ontvouwde in zijn Holism and Evolution.
Kern van het boek is wat Smuts de vera causa, 'de ware oorzaak' van de evolutie noemt: het gegeven dat in de natuur steeds complexere gehelen ontstaan. Van atoom tot molecule, van molecule tot cel, van cel tot meercellig organisme. Maar ook organismen in onderlinge afhankelijkheid, met regenwoud of koraalrif als fascinerende voorbeelden van grote schoonheid. En zeker zo fascinerend en schoon vaak de gehelen van mensen: dichtbij in relaties van liefde en vriendschap, of ver weg in wat een global village zou heten.
Fundamenteel element in het concept van het geheel is volgens Smuts dat de delen "so close, intimate and unified" zijn, dat "the characters and relations and activities of the parts are affected and changed by the synthesis" (Smuts, pag 122). Het zuurstofatoom vertoont gebonden aan een tweede zuurstofatoom heel andere eigenschappen dan gebonden aan twee waterstofatomen. Of - aanzienlijk comple-xer - de mens, die vanaf de geboorte, of eerder, door invloeden uit de omgeving voortdurend wordt gevormd, net zoals hij in deze voortdurende interactie zijn omgeving mede vormgeeft, ook al beseft hij het laatste vaak minder in een cultuur waar lot of God of al het andere hoog en onaantastbaar de loop der dingen bepaalt.
Met dit concept van het geheel is niet gezegd dat de delen in het geheel hun identiteit verliezen, ondergeschikt zijn aan het geheel, zoals het geval is met utopieën. Het holisme gaat juist uit van de delen en laat deze in interactie een zekere identiteit van het geheel bepalen. Ongetwijfeld gaan in de interactie op zeer verschillende niveaus vrijheden verloren, maar dit toe te schrijven aan een hoger wezen van het geheel is omkering van het evolutionaire proces.
En toch, toch wordt ook in Smuts' holisme van bovenaf de wet voorgeschreven, maar het is een wet die alle ontplooiingsvrijheid aan de delen samen laat. Het is de zon die de randvoorwaarden instraalt waarbinnen de natuur in al haar schoonheid kan evolueren. De tweede hoofdwet van de thermodynamica leert dat de complexiteit van een gesloten systeem door energieverbruik afneemt. Toename van complexiteit in een open systeem vraagt dus om toevoer van energie. Zo kan de zon aangewezen worden als de bron achter de evolutionaire toename van complexiteit: de zon verschaft het open systeem Aarde de energie die toename van complexiteit, de groei naar complexere gehelen, mogelijk maakt.
Een ijstijd echter, of een aardbeving, of een atoombom, toont juist een sterke afname van complexiteit, het uiteenvallen van gehelen, toename van chaos. Het maakt duidelijk dat de evolutie niet een continu proces is van toename van complexiteit; zoveel beweert ook de thermodynamica niet. De opgeslagen energie kan zomaar in de oneindigheid van de kille ruimte verdwijnen. Maar steeds blijft de zon energie leveren die nieuw leven mogelijk maakt, die een evolutie van delen naar gehelen mogelijk maakt.
De thermodynamica laat daarmee de mens vrij zijn eigen leefomgeving te verwoesten. Geheel conform het evolutionaire spel van survival of the fittest lijkt het handelen van de mens, als hij streeft naar steeds meer, streeft naar groei, op dat van een woudreus die met zijn buren strijdt om het hoogste licht, of ieder ander organisme van het regenwoud dat zich slechts ontwikkelt uit eigenbelang. En de mens is nogal goed geworden in dat spel.
Maar ook is de mens, dankzij de evolutie van zijn intellect, in staat de gevolgen van zijn handelen in te zien. Een strijd van eeuwen maakte het regenwoud tot dat wat wij ervaren als een harmonieus geheel. Maar harmonieus is het slechts bij de gratie van de geleidelijkheid van de ontwikkelingen. De mens nu ontwikkelt zich zo veel sneller dan de rest van het wereldecosysteem, dat veel andere organismen en het systeem als geheel niet de tijd hebben om mee te ontwikkelen. Echter, de consequenties daarvan in te kunnen zien, zich een beeld te kunnen vormen van een mogelijke toekomst en naar aanleiding daarvan het eigen handelen bij te stellen, is alleen de mens gegeven. Het is dan in het verlengde van de egoïstische struggle to survive om een toekomstbeeld dat voor het eigen bestaan bedreigend is te vertalen in een streven thans naar harmonie met de omgeving.
Wanneer het toekomstbeeld minder direct bedreigend is voor eigen lijfsbehoud, dan is de mens, sociaal dier, als enige in staat te communiceren met het gehele systeem waarvan hij deel uitmaakt. Dat biedt hem de gelegenheid zich het welzijn van dat systeem als geheel, of slechts van andere individuen in dat systeem, in heden of toekomst, aan te trekken. Met hetzelfde effect van het handelen als het bijstellen ten behoeve van harmonie: het streven naar een sustainable development, duurzame ontwikkeling. Zou dit bewustwordingsproces, het breken met het rechtlijnig survival of the fittest, de evolutionaire stap zijn die de mens pas werkelijk van de rest van de natuur onderscheidt? Bewust groeien naar een hechter geheel.
De betekenis van het begrip holisme is sinds Smuts geëvolueerd in vaagheid. Ondanks de kennis van de oorsprong van het begrip refereert Hans Achterhuis uitdrukkelijk niet aan Smuts, zo liet hij mij weten. Zijn context van onvrijheid, van het gedetailleerd voorgeschrevene, de link naar de totalitaire regimes, geven holisme in zijn werk een onsympathiek karakter, waar het in het oorspronkelijke verband met de evolutie juist plezierige associaties oproept.
Alles voorgeschreven, van bovenaf bepaald, of vrijheid en ontwikkeling van onderaf? More beschreef een volmaakte samenleving, een eindstadium, een stabiele toestand. Maar hoeveel bewondering de volledige beschrijvingen in het vroeg-zestiende-eeuwse werk ook losmaken, net als Achterhuis zou ik in Mores ideale eilandrijk niet willen wonen. Is Utopia in haar volmaaktheid spanningloos saai, Smuts daarentegen laat een dynamisch creatief proces verrassingen brengen. En in dat creatieve proces, dat hij holisme doopte, past het hartstochtelijk streven naar harmonie in het complexe geheel, naar duurzame ontwikkeling. Tot het einde van de zon kan daar nog oneindig veel schoonheid uit voortkomen.
EEN MANIFESTATIE VAN HOLISME-I
Arnold
Fellendans
Nieuws uit het Westland
In 1997 hoorde ik tijdens gesprekken met zeven Westlandse siertelers dat zij met smart zaten te wachten op de komst van kooldioxide van Shell, die via een pijpleiding vervoerd ging worden. Dat zou de gevarieerdheid van hun samenwer-kingsmanieren verder vergroten.
De complexiteit van hun samenwerkingsrelaties was sinds 1994 ingrijpend vergroot. Toen had de milieutechnoloog professor Lucas Reijnders vlak voor moederdag met een bericht in de Westlandsche krant de bloemkwekers veel opwinding bezorgd. Hij beschuldigde hen er in feite van dat zij milieumisdadigers waren. De telers besloten niet op zijn beschuldigingen te reageren. Zij wisten best dat ook voor hen, net als voor ieder ander, de tijd was gekomen dat zij iets aan het milieu moesten gaan doen en wachtten nu tot er iemand het initiatief nam.
Toen één van hen, Jan Kouwenhoven, toch met Reijnders ging praten, ontdekte hij dat hij tegen diens beschuldigingen geen enkel verweer had. Kouwenhoven kon 400 collega's ervan overtuigen dat zij onmiddellijk gegevens over hun gebruik van energie, gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen moesten verzamelen om samen deze beschuldigingen te kunnen weerleggen. Zij zagen in de computer-lijsten tot hun verbazing dat er grote verschillen waren in hun verbruikscijfers. Dat betekende dat zij van elkaar konden leren en daardoor geld besparen, maar ook dat Reijnders anders heel gemakkelijk een kopersstaking tegen hen zou kunnen organiseren.
De 400 siertelers startten toen het Milieu-Project Sierteelt (MPS) en hebben hun bestaande samenwerking verdiept, wat meteen tot besparingen leidde. Ze gingen ook samen op zoek naar geheel nieuwe werkmethoden om hun slechte invloed op het milieu nog meer te beperken. Zij zochten die niet alleen binnen hun eigen bedrijfstak, maar ook grensoverschrijdend, zoals in de tuinbouw. Daar kregen ze eerder dan zij het idee om kooldioxide van Shell te betrekken.
Het Milieu-Project Sierteelt telt nu 4500 Nederlandse en 500 buitenlandse leden. Samen hebben zij het MPS-A-milieukeurmerk geformuleerd. Door het in de pas te houden met de ontwikkelingen van hun werkmethoden zal dat keurmerk niet kostenverhogend werken en dus een steeds breder draagvlak kunnen krijgen. Dat betekent dat zij hun welbegrepen eigenbelang steeds scherp in de gaten houden, zodat de continuïteit van hun onderneming niet in gevaar komt, terwijl zij zich collectief toch steeds beter gedragen.
De basis van hun nieuwe samenwerking berust op wederzijdse controle, verricht door onafhankelijke keuringsinstanties, van de milieueisen die de telers zelf met elkaar formuleren. Om nieuwkomers de gelegenheid te bieden om 'in te stappen' zijn er ook pakketten met minder strenge milieueisen geformuleerd, die de nieuwe MPS-leden geleidelijk kunnen doorlopen. Omdat steeds meer grote afnemers, zoals grootwinkelbedrijven in Engeland, uitsluitend bloemen gekweekt door MPS-A-telers willen verhandelen, zullen de nieuwkomers zich zo snel mogelijk moeten ontwikkelen.
In het paviljoen van MPS op de Floriade in juni 2002 kreeg een aantal siertelers voor het eerst een sociaal certificaat. Dat houdt in dat een onafhankelijke keuringsinstantie heeft vastgesteld dat de sociale omstandigheden van hun bedrijven volgens de vereiste nieuwe standaarden zijn. Daarmee kunnen deze telers zich met recht en reden maatschappelijk verantwoorde ondernemers noemen.
Maatschappelijk verantwoorde ondernemers
Toen ik kort na mijn gesprekken met de zeven siertelers professor Reijnders om zijn mening over de siertelers vroeg, zei hij dat zij weliswaar nog een lange weg hebben te gaan, maar dat zij voor hun inspanning toch al wel een compliment verdienen. Hij betreurde het dat de pers zo weinig aandacht aan deze ontwikkeling geeft. Mijn poging om daarna de aandacht van het ministerie van landbouw voor deze positieve ontwikkeling van een snel groeiende groep mensen te vangen leidde tot een afwijzende reactie. Men had in het ministerie niets bijzonders in de sierteelt ontdekt.
Inmiddels is daarin een grote verandering gekomen. Men weet nu in het ministerie dat de siertelers een belangrijk voorbeeld vormen van wat tegenwoordig maat-schappelijk verantwoorde ondernemers worden genoemd. Het congres Maatschappelijk verantwoord ondernemen, mode of must?, dat het ministerie in april 2002 organiseerde, heeft daar zeker aan bijgedragen. Wie het SER-advies over maatschappelijk ondernemen leest en begrijpt wat Jan Smuts met holisme bedoelde, herkent dat een maatschappelijke ondernemer door zijn sterk vergrote aandacht en respect voor alle factoren in zijn omgeving (alle stakeholders), een holistic approach heeft. Dat de ondernemer het recht houdt om zich op zijn eigen manier te ontwikkelen en zijn welbegrepen eigenbelang zo goed mogelijk te behartigen is niet strijdig met het denken van Smuts, maar is daar juist zeer essentieel in. Datzelfde is dan ook een essentie van de Verenigde Naties.
Holistisch
denken
Toen de siertelers van het Westland eenmaal echt voor de onplezierige prikkel van buiten door Lucas Reijnders open waren gaan staan, kwam er door initiatieven van een 'groot aantal delen' vanzelf een integrale reactie. Eerst was er even een neiging tot ontkenning, maar doordat de gegevens per sierteeltbedrijf samen onverwacht een geheel met betekenisvolle informatie werden, herkenden de telers tegelijk de noodzaak om te veranderen en een zinvolle en zelfs prettige manier om zich aan te passen. De telers namen daarmee ieder voor zich de volle verantwoordelijkheid voor hun eigen bestaan. Zij begrepen dat er geen enkele hogere macht was die hen zou helpen. Tegelijk ontstond er bij hen ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de omgeving, maar dat leidde toch niet tot het oprichten van een overkoepelend geheel, dat totalitaire regels moest stellen.
Door de onderlinge samenhang van grote èn kleine ontwikkelingsstappen ontstond een ontwikkelingsproces dat grensoverschrijdend plaatsvindt, in intense samenhang met de omgeving. Talloze toeleveringsbedrijven varen wel bij het succes van de sierteelt. De siertelers dringen zich niet op aan andere branches, maar kunnen met hun collectieve resultaten laten zien dat zij, ook nu de economie achteruit gaat, van een collectief succes mogen spreken. Het is de rol van het ministerie van landbouw om dit voorbeeld aan andere agrarische branches voor te houden.
Zelfordenende processen hebben de ruimte gekregen om uiterst complexe problemen zonder simplificering - dus zonder een truc van een adviseur - langs natuurlijke weg toe te passen en tot een bruikbare en breed aanvaardbare oplossing te brengen. Het is jammer dat sommige milieuorganisaties, het gros van de andersoortige bedrijven en vermoedelijk de hele overheid nog helemaal niet begrijpen dat dit soort zelfordenende processen een absolute voorwaarde zijn om sustainable development economisch haalbaar te maken. Als zij deze essentie blijven ontkennen, zullen er telkens opnieuw utopieën beginnen, waardoor de energie van talloze mensen steeds weer verkeerd wordt besteed.
Verdere informatie over de sierteelt kan helpen om nog meer inzicht te krijgen in wat 'holistisch denken' betekent. De siertelers hebben namelijk inmiddels nog veel meer ervaring gekregen met zelfordenende processen.
De
historische basis
Na zijn bezoek aan Reijnders kon Kouwenhoven snel de 'verdediging' tegen deze milieutechnoloog organiseren. Na de verrassende uitkomst van de milieucijfers konden de siertelers snel van elkaar leren en nieuwe werkmethoden ontwikkelen. Die twee snelle stappen waren alleen mogelijk door de cultuur van de telers en doordat zij al jarenlang een 'lerende organisatie' waren. Hun cultuur was al generaties lang een bloeiende netwerkcultuur, waarvoor familiebanden een belangrijk element vormden. Ook was essentieel dat de siertelers één doel gemeen hadden: sierteler blijven.
Met de steun van het ministerie van landbouw waren zij begin jaren tachtig al een grote collectieve lerende organisatie geworden. Zij trainden zich in uiterst efficiënt samen leren in zeer uiteenlopende onderwerpen. Het milieu had echter jarenlang geen betekenis gehad, maar toen het belang van het milieu eenmaal herkend was, kon de onplezierige prikkel van buiten snel omgezet worden in een stimulerende prikkel die uit hen zelf kwam. Zij konden zich daardoor onafhankelijk maken van hun omgeving en bovendien was er bij hen sprake van een 'kennisorganisatie'. De telers leerden zó goed om relevante informatie aan elkaar door te spelen, doordat ze precies weten waar een ander behoefte aan heeft, dat er weinig kans is dat zij ooit een 'informatie-infarct' zullen krijgen. Dat gevreesde verschijnsel kan namelijk het gevolg zijn van het feit, dat men tegenwoordig steeds meer en steeds sneller informatie ontvangt. In grote bedrijven probeert men om in de kenniseconomie overeind te blijven door grote computerbestanden te organiseren, waarin iedereen zijn ervaringen en kennis moet onderbrengen. Ondanks het mooie doel blijkt dit altijd een utopie, omdat mensen er zelden voldoende belang aan hechten hun energie te gebruiken om anderen op de hoogte te houden met wie men geen intense binding heeft. Onder de siertelers gaat kennisverspreiding vanzelf door de vele raakpunten en gevarieerde manieren van informatie-uitwisseling binnen het geheel en door het grote aantal raakpunten van de delen met de hele omgeving. De intense informatie-uitwisseling is een product van hun collectieve ontwikkelingsproces.
Een tweede onplezierige prikkel
In 1995 kregen de kwekers voor het eerst te maken met import van grote hoeveelheden bloemen uit Afrika, die hun eigen veiling, 'Bloemenveiling Holland' in Naaldwijk en Bleiswijk, ging veilen. Dat was dus de tweede onplezierige prikkel uit hun omgeving die de telers kort na elkaar ervoeren, en ook deze keer was er eerst een neiging tot ontkenning. Zij dwongen Jac Teelen, de directeur van de veiling, en Bram van Marrewijk (†), voorzitter van de Coöperatieve Veilingvereniging, om een maximum aan deze handel te stellen, ook al voorspelden die twee uitdrukkelijk dat er voor deze bloemenstroom andere handelskanalen zouden komen.
Een jaar later erkenden de kwekers dat van Marrewijk en Teelen gelijk hadden gehad: de invoer van bloemen uit Afrika was met 'beheersen' niet tegen te houden. De kwekers besloten toen om een toekomstverkenning te verrichten. Zij spoorden in een aantal werkgroepen alle omgevingsfactoren op, die voor hen misschien van belang waren. Voor al die factoren bedachten zij in wat voor soort scenario's zij een rol konden gaan spelen. Zij bekeken ook welke rol zij zelf voor hun hele omgeving hadden, dus wat eigenlijk al hun relaties waren met al hun omgevingsfactoren. Er was niemand die zich van dit zelfordenende proces de baas kon noemen en er werd ook geen enkele steun van adviseurs ingezet. Hun drang om te overleven veroorzaakte een nog sterkere cohesie dan er al was. Door niet in slechts aan één werkgroep deel te nemen, voorkwamen zij, ondanks de bedreigende situatie, dat zij slachtoffer werden van kokerdenken. Zij deden een vol jaar over deze studie, waarbij alle omgevingsfactoren zeer zorgvuldig onderzocht werden.
Het belangrijkste nieuwe inzicht dat zij kregen, was dat zij zelf geen enkele directe relatie met consumenten hadden, omdat de groothandel hen afschermde. De siertelers besloten zelf die nieuwe verbinding met consumenten te maken door individueel contacten te leggen. Verder hadden zij door het 'Milieu-Project Sierteelt' al ervaren hoe leuk het was om uiterst intensief samen te werken om nieuwe werkmethoden te bedenken, die nuttig waren om het milieu en zichzelf te behouden. Zij hadden ontdekt dat zij samen nog creatiever waren dan in hun vroegere netwerkcultuur. Die plezierige ervaring wilden zij graag intensiveren door nog veel meer te gaan samenwerken. Zij gingen op zoek om dat plezierige gevoel steeds opnieuw te beleven. Hun processen begonnen steeds meer reciproque, d.w.z. wederkerig te worden, een kenmerk van alle levensprocessen.
Om intenser te kunnen samenwerken organiseerden zij allerlei studieclusters, niet alleen om betere milieumethoden te ontwerpen en te beproeven, maar ook om nieuwe kweekmethoden en nieuwe plantensoorten te ontwikkelen. Ook al formuleerde één van de telers die ik sprak als het effect van die ontwikkeling, dat zij tegenwoordig 'echt voor elkaar door het vuur gaan', hun onderlinge concurrentie is toch behouden gebleven. Dat gebeurt door de clusters met zorg samen te stellen. Er is bovendien een sterke sociale bewaking doordat kwekers, die in de studieclusters niet genoeg bijdragen, eruit worden gezet. Iedereen zorgt er echter wel voor dat hem dat niet overkomt, want het geeft een enorm prettig gevoel om een onderdeel van zo'n ontwikkelend geheel te zijn. Al geeft die verbinding hun als individu dus minder vrijheid, de vrijwilligheid en het genoegen om samen te werken maken, dat men dat helemaal niet als een beperking van vrijheid ervaart.
Sommigen gingen nog verder met hun samenwerking. Zij sloten zich aaneen tot kleine coöperaties, waarin de één de gezamenlijke inkoop ging regelen, een ander een klein uitzendbureau oprichtte en anderen nog weer andere specialisaties op zich namen. Door hun intense, complexe en dynamische samenwerking en specialisaties begonnen zij samen steeds meer op een levend organisme te lijken.
De typisch individualistische cultuur van duizenden zelfstandige kleine ondernemers veranderde als vanzelf in een cultuur waar intense samenwerking zelfs de boventoon begon te voeren. Er begon vanzelf een nieuw geheel te ontstaan dat steeds meer betekenis kreeg voor de delen, die mentaal veel dichter bij elkaar kwamen. Door die verbindingen en door hun enthousiasme werden hun relaties, hun activiteiten en zelfs hun individualistische karakter beïnvloed en veranderd. De siertelers hoefden daarvoor niet te weten wat volgens Jan Smuts de essentie van een geheel is, zoals Wouter Fellendans dat hiervoor aangaf. Die essentie van een geheel ontdekten zij zelf en vanzelf.
Wat in de natuur tussen moleculen kan plaatsvinden, wanneer zonlicht een plant helpt om van simpele moleculen veel complexere en energierijke moleculen te maken, gebeurt hier tussen mensen. De stroom van prettige ervaringen heeft de kwekers aangezet om niet alleen energie in zichzelf, maar ook in elkaar te steken. Daardoor ervaart ieder die meedoet de reciproque prettige invloed van hun nieuwe geheel, dat door hun activiteiten steeds meer wordt versterkt. Dat gebeurt niet door een invloed van een hoger niveau, dat komt alleen door meer soorten dynamische verbindingsprocessen tussen de delen.